Papers
Klik op een thema om de onderliggende papers te zien. Alle abstracts zijn al te lezen door op de link te klikken. Zodra de auteur een paper heeft geupload wordt deze link ook zichtbaar.
* CS1: Sessie 1 10.45 – 12.00 uur
* CS2: Sessie 2 13.15 – 14.30 uur
* CS3: Sessie 3 14.45 – 16.00 uur
Na 20 september is het mogelijk om één pdf te downloaden van alle abstracts/papers per thema.
- CS1: CBS Workshop: Gebruik microgegevens over arbeid
- Geen inzendingen.
- CS1: CBS Workshop: Statistieken over arbeid op StatLine
- Geen inzendingen.
- CS1: Doelgroepen
- De economische cyclus en het zelfstandig ondernemerschap
Bemd, J. van den
Abstract | Print-vriendelijke Abstract
| Download paper
Self-employment is becoming increasingly relevant in the Netherlands. Own-account workers are growing in number. It seems that due to this group of people the overall economy is more adaptive to economic shocks.
In the last couple of years lot of research has already been done on the modern own-account workers (in Dutch called ZZP’ers). However, these studies are usually focussing on structural changes. In contrast to these other studies, this empirical paper relates the growth in the number of own-account workers to business cycles The focus is on the period 1985-2008, which has experienced considerable economic fluctuations.
In this paper two hypotheses will be tested to relate own-account workers to economic fluctuations, each applying to specific groups of own-account workers. Basically there are four groups of self-employed distinguished: young women with one or more children; people who completed tertiary education; second generation migrant workers and older native inhabitants.
The first hypothesis is that positive economic growth directly stimulates the growth of the number of own-account workers*. In times of economic prosperity the likelihood of success of a start-up is bigger than in recession. This hypothesis will be tested to all four groups. However, it is expected that two groups of own-account workers are more inclined to start for themselves than other groups in times of economic boom. The first is young women with children as self-employment allows them to combine work and child care more easily (as opposed to wage-employment). The second group is people aged 35-54 with a tertiary education because people in this age range have acquired sufficient knowledge and skills to apply them in their own business.
The second hypothesis contrasts the first relationship between self-employment and the business cycle. The idea here is basically that negative economic growth stimulates the number of own-account workers*. But, it is expected that this relationship holds for the two other groups of self-employed: for native inhabitants aged 55-64, and for young (second generation) immigrants. Many people in these two groups have difficulties finding a new job once they have lost their old one. This is more likely to occur during recessions. For these groups two alternatives are open next to a paid job: unemployment and self-employment, the latter in general being more attractive.
If for one or more of the four groups the hypothesized relation holds, policies can be tailored to these specific groups of own-account workers; the policies in turn being dependent on the status of the business cycle.
* The null hypothesis is that there is no relation between the business cycle and the
growth in the number of own-account workers.
Reference:
Social-Economic Council of the Netherlands [SER]. Zzp’ers in Beeld: Een integrale visie op zelfstandigen zonder personeel. (Den Haag, Sociaal-Economische Raad, 2010)
Comment:
I am a native Dutch speaker. This abstract is in English because my education requires me to do so. However, if this paper were to be selected, I am able and willing to write the paper in Dutch as well for the NAD. - De gevolgen van een precaire start op de arbeidsmarkt voor de loopbaanontwikkeling van jongeren in Nederland tussen 1988 en 2008: de rol van opleiding.
Lange, M. de, Gesthuizen, M. en Wolbers, M.H.J.
Abstract | Print-vriendelijke Abstract
| Download paper
Sinds de jaren 90 is er in Nederland een trend waar te nemen naar flexibilisering van de arbeidsmarkt. Deze trend is ten eerste ontstaan vanuit de grote (jeugd)werkloosheid in Nederland in de jaren 80, maar kent ook een structurele oorzaak, namelijk het proces van globalisering sinds de jaren 80. De toegenomen concurrentie op wereldschaal die hiermee gepaard gaat heeft werkgevers er toe gedwongen meer flexibele arbeidsrelaties aan te gaan, zoals het aanstellen van personeel via tijdelijke contracten. Flexibele arbeid komt met name voor onder jongeren die na het verlaten van het onderwijs in hun eerste baan terechtkomen: hun gebrek aan werkervaring maakt hen ‘outsiders’ op de arbeidsmarkt, waardoor zij moeilijk aan een vaste (eerste) baan komen.
De gevolgen van een precaire start op de arbeidsmarkt (middels een tijdelijke baan) voor de verdere loopbaan van jongeren zijn nog onvoldoende duidelijk. Gezien het stijgende aantal jongeren dat de arbeidsmarkt via tijdelijk werk betreedt of zal betreden, zowel vanwege toenemende globalisering als door de huidige economische crisis, is kennis noodzakelijk over de gevolgen voor de sociale ongelijkheid tussen mensen met tijdelijke en vaste eerste contracten, ook voor het ontwerpen van beleid met betrekking tot tijdelijke contracten. Enerzijds zijn er theorieën die voorspellen dat mensen die starten in tijdelijk werk hier de rest van hun loopbaan hinder van ondervinden, omdat zij blijven ‘hangen’ in dergelijk onzeker werk. In de praktijk zou dit kunnen betekenen dat de financiële onzekerheid die hiermee gepaard gaat jonge mensen belemmert in de aanschaf van een huis, of dat dit zelfs leidt tot uitstel of afstel van de keus om een gezin te stichten. Ook zijn er aanwijzingen dat deze nadelige gevolgen met name onder kwetsbare groepen zouden voorkomen, zoals mensen met een laag opleidingsniveau. De start in tijdelijk werk kan anderzijds ook gezien worden als een opstapje naar een latere vaste baan en het voorkomt (langdurige) werkloosheid aan het begin van iemands loopbaan.
In dit paper richten wij ons daarom op de volgende onderzoeksvragen: ‘In hoeverre heeft een precaire start op de arbeidsmarkt nadelige gevolgen voor de verdere loopbaan van jongeren in Nederland tussen 1988 en 2008? In welke mate verschilt dit tussen lager- en hogeropgeleiden?’ Onze verwachting is dat lageropgeleiden die starten in een tijdelijke positie vaker zullen blijven hangen in dergelijke banen, terwijl hogeropgeleiden met een flexibele eerste baan vaker door zullen stromen naar een vaste positie. Tevens wordt in dit verband de invloed van een precaire start op de arbeidsmarkt op de ontwikkeling in beroepsstatus en inkomen onderzocht, dus: ‘In hoeverre leidt een precaire start op de arbeidsmarkt tot een achterstand wat betreft beroepsstatus en inkomen in de latere loopbaan ten opzichte een start in een vaste baan, onder jongeren in Nederland tussen 1988 en 2008? In welke mate verschilt dit tussen lager- en hogeropgeleiden?’. De vragen in dit paper zullen beantwoord worden aan de hand van panel data (Arbeidsaanbodpanel 1988-2008), waarbij de arbeidsmarktsituatie van een grote groep mensen door de tijd heen gevolgd is. - Individuele verschillen in etnische discriminatie tijdens sollicitatieprocedures
Blommaert, L., Coenders, M. en Tubergen, F. van
Abstract | Print-vriendelijke Abstract
| Download paper
In dit artikel onderzoeken we welke individuele kenmerken van invloed zijn op de kans dat personen discriminatoir gedrag vertonen ten opzichten van etnische minderheden tijdens sollicitatieprocedures. We combineren de methodologische voordelen van experimenteel onderzoek naar discriminatie met de theorie-gestuurde benadering van studies naar interetnische attitudes. Experimenten zijn zeer geschikt om discriminatie te meten. Tot nu toe onderzochten experimentele studies echter vooral of en in welke mate discriminatie voorkwam. Wij boeken hierop vooruitgang door te bestuderen welke factoren discriminatie beïnvloeden. Daarbij maken we gebruik van theorieën uit de literatuur over interetnische attitudes.
We leiden hypothesen af uit de contact-theorie en de etnische competitie-theorie en toetsen deze voorspelling met behulp van data verzameld in een laboratorium-experiment onder studenten (n=272). Het experiment bestond uit een vragenlijst en een discriminatie-test waarbij deelnemers curricula vitae fictieve sollicitanten beoordeelden. De sollicitanten varieerden wat betreft etniciteit, geslacht, opleidingsniveau en werkervaring. Deelnemers beoordeelden de geschiktheid van de sollicitanten door ze een cijfer toe te kennen en selecteerden sollicitanten die ze zouden willen uitnodigen voor een gesprek.
De resultaten tonen aan dat de deelnemers aan dit onderzoek sollicitanten uit etnische minderheidsgroepen inderdaad discrimineerden. Verder wordt discriminatie zoals voorspeld beïnvloed door interetnische contacten en door kenmerken die gerelateerd zijn aan etnische competitie. Individuen die hun contacten met etnische minderheden als positiever beoordelen, discrimineren minder vaak. Verrassend is dat de frequentie van interetnische contacten geen effect heeft. Personen met een universitaire opleiding discrimineren minder vaak dan personen met een HBO-opleiding. Ook het opleidingsniveau van ouders doet ertoe. Personen met hoger opgeleide ouders discrimineren minder dan personen van wie de ouders een lager opleidingsniveau hebben. Personen van wie de ouders kerklid zijn, discrimineren juist vaker. Ten slotte bleken mannen meer te discrimineren dan vrouwen.
De resultaten van deze studie laten allereerst zien dat discriminatie mogelijk een rol speelt bij het ontstaan van etnische verschillen in arbeidsmarktuitkomsten (deze bevinding sluit aan bij ander recent Nederlands onderzoek). Onze resultaten vormen waarschijnlijk zelfs een onderschatting van de mate waarin discriminatie voorkomt op de arbeidsmarkt, aangezien ons onderzoek is uitgevoerd onder hoogopgeleide individuen, een relatief tolerante groep. De eerste conclusie voor beleidsmakers is dus dat het belangrijk is om alert te blijven op het voorkomen van discriminatie tijdens sollicitaties. Het formaliseren van de sollicitatieprocedure en het betrekken van meerdere personen bij deze procedures zouden de kans op discriminatoir gedrag kunnen verkleinen. Een tweede belangrijke uitkomst van ons onderzoek is dat het hebben van positieve contacten met personen van andere etnische groepen de kans op discriminatie verkleint. Dit onderstreept het belang van een etnisch divers personeelsbestand. Immers, de werkvloer is bij uitstek een setting waarin intensievere, langdurige contacten worden opgebouwd en waarin gezamenlijk werken aan een gemeenschappelijk doel kan leiden tot positieve met leden van andere etnische groepen. Ten slotte laat ons onderzoek zien dat individuen met een hoger opleidingsniveau en waarvan de ouders hoger opgeleid zijn minder discrimineren. Personen van wie de ouders kerklid zijn en mannen discrimineren juist meer. Een gevarieerde samenstelling van sollicitatiecommissies vergroot daarom de kans op een eerlijke procedure. - Transitie naar zelfstandig ondernemerschap: kansrijk voor mensen met afstand tot arbeidsmarkt?
Heuts, L en Berg, N van den
Abstract | Print-vriendelijke Abstract
| Download paper
TRANSITIE NAAR ZELFSTANDIG ONDERNEMERSCHAP: KANSRIJK VOOR MENSEN MET AFSTAND TOT ARBEIDSMARKT?
Het arbeidspatroon van de werkende bevolking in westerse verzorgingsstaten is de afgelopen twintig jaar sterk gewijzigd. In de zogeheten ‘transitionele arbeidsmarkt’ is het carrièrepad van mensen niet meer relatief stabiel, voorspelbaar en ononderbroken. In het arbeidsleven komen steeds vaker transities voor, bijvoorbeeld tussen voltijdse en deeltijdse aanstellingen en tussen perioden van werkloosheid en werken. In de context van de transitionele arbeidsmarkt kan het nuttig zijn om mensen die moeite hebben met het krijgen van een baan in loondienst, te ondersteunen bij de transitie naar andere vormen van betaald werk.
In ons artikel gaan we in op de vraag of zelfstandig ondernemerschap een alternatief vormt voor mensen die moeite hebben met het krijgen van een baan in loondienst, zoals migranten, ouderen en mensen met een arbeidshandicap. Allereerst wordt in het artikel nader ingegaan op de transitie van werkloosheid naar zelfstandig ondernemerschap. Uit bestaande studies komt naar voren dat de kans om als zelfstandige aan de slag te gaan groter is vanuit werkloosheid dan vanuit werknemerschap. Vervolgens beschrijven wij dat het stimuleren en ondersteunen van de transitie van werkloosheid naar zelfstandig ondernemerschap zowel in persoonlijke als maatschappelijke zin een positief effect heeft. Omdat niet iedereen is gemaakt voor het ondernemerschap, dient de focus wel gelegd te worden op bevordering en ondersteuning van deskundig en kansrijk ondernemerschap. In het artikel gaan wij ook in op succes- en faalfactoren voor startende ondernemers in het algemeen, en meer specifiek voor mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt. Onze voorlopige bevindingen van een lopend onderzoek voor Stichting Instituut Gak wijzen erop dat kansrijk ondernemerschap niet direct afhankelijk is van de situatie van waaruit men start of de doelgroep waartoe men behoort. Tot slot gaan wij in het artikel in op bestaande ondersteuningsvormen voor startende ondernemers. Om het zoeken naar geschikte ondersteuning voor starters eenvoudiger te maken, kan het mogelijk wenselijk zijn om één loket te creëren waar zij terecht kunnen.
Lars Heuts
Natascha van den Berg - CS1: Loonvorming 1
- Wage inequality in the Netherlands: Evidence, trends and explanations
Groot, S.P.T. en Groot, H.L.F. de
Abstract | Print-vriendelijke Abstract
| Download paper
For many years, the Netherlands has been considered an exception to the general trend of growing wage inequality that most OECD countries have experienced since the 1980s. This OECD trend is generally explained by increasing relative demand for skilled labour due to skill biased technological progress and – to a lesser extent – by globalization. Using detailed micro data on the entire wage distribution in the Netherlands, this paper examines trends in Dutch (real pre-tax) wage inequality between 2000 and 2008. We show that the aggregate flatness of the distribution hides dynamics between different groups and regions. We find that inequality, after correcting for observed worker characteristics, decreased somewhat at the lower half of the wage distribution, while increasing slightly at most of the upper half (both before and after correcting for differences in human capital). Residual wage inequality is high and increasing in most larger cities, which is in line with recent evidence on the increasing importance of agglomeration externalities. - Het inkomen van werknemers en zelfstandigen nader bekeken
Moonen, L
Abstract | Print-vriendelijke Abstract
| Download paper
In dit artikel wordt de samenhang onderzocht tussen het inkomen van personen en verschillende kenmerken van de persoon. Zowel demografische als sociaaleconomische kenmerken kunnen een samenhang vertonen met de hoogte van het inkomen. Vanuit de Inkomensstatistiek zijn echter weinig sociaaleconomische gegevens beschikbaar die in dit opzicht relevant kunnen zijn. Zo zijn er geen gegevens beschikbaar over het hoogst behaalde opleidingsniveau, of over de positie op de arbeidsmarkt. Ook belangrijke baankenmerken, zoals de wekelijkse arbeidsduur, ontbreken in de Inkomensstatistiek. Door een recente koppeling van gegevens uit de Enquête Beroepsbevolking en de Inkomensstatitiek kunnen gegevens over opleidingsniveau en arbeidspositie wel gecombineerd worden met inkomensgegevens. Hierdoor is het mogelijk om de samenhang tussen het inkomen van personen en verschillende persoons- en baankenmerken te onderzoeken.
In dit onderzoek staat het persoonlijk inkomen uit betaald werk, ofwel het persoonlijk primair inkomen, centraal. Omdat de inkomensverdelingen van werknemers en zelfstandigen erg van elkaar verschillen, worden voor deze groepen aparte analyses gedaan. Voor werknemers zijn de jaarlijkse inkomsten uit arbeid gebruikt, en voor zelfstandigen de jaarlijkse inkomsten uit eigen onderneming. In de analyses worden de persoonskenmerken geslacht, leeftijd, burgerlijke staat, positie in het huishouden, etniciteit en opleidingsniveau meegenomen. Daarnaast worden ook enkele kenmerken van de werkkring meegenomen, namelijk de wekelijkse arbeidsduur, het beroepsniveau en de bedrijfssector (SBI 2008). Daarnaast is bij de analyse voor werknemers een variabele opgenomen die aangeeft of de werknemer een vast of een flexibel dienstverband heeft.
Om de relatie tussen het inkomen en verschillende verklarende factoren te onderzoeken wordt gebruikt gemaakt van regressie analyse. Omdat er over het algemeen geen lineair verband bestaat tussen het inkomen en de verklarende factoren, wordt vaak een logaritmische transformatie op het inkomen toegepast. In dit onderzoek is de natuurlijke logaritme van het inkomen in de analyse als te verklaren variabele opgenomen. De verklarende variabelen zijn allemaal als categoriale variabelen ingedeeld en worden daarom als dummy variabelen in het regressiemodel opgenomen. In het artikel worden uitgebreide resultaten gepresenteerd. Uit voorlopige resultaten voor de groep werknemers blijkt dat ongeveer 75 procent van het inkomen verklaard kan worden uit de in het regressiemodel opgenomen factoren. Vooral de wekelijkse arbeidsduur, het soort dienstverband, het beroepsniveau en de leeftijd blijken een grote rol te spelen. - Individuele loonhoogte en werkloosheid: overheid versus bedrijfsleven
Berretty, T. en Koning, J. de
Abstract | Print-vriendelijke Abstract
| Download paper
In dit paper is gekeken naar de samenhang tussen de loonontwikkeling bij de overheid enerzijds en de hoogte van de werkloosheid en de personeelsstructuur anderzijds. Dit is gedaan voor zowel de overheid als geheel, als voor de afzonderlijke deelsectoren. Daarnaast is de overheid ook vergeleken met de marktsector.
Eerst zijn er loonvergelijkingen geschat, waarin naast de persoonskenmerken ook het regionale werkloosheidspercentage is opgenomen. Op basis van deze zogenaamde “wage curves” is per sector en deelsector voor de periode de 2001-2005 een structuureffect en een conjunctuureffect berekend. Tevens zijn er prognoses gemaakt voor de hoogte van het structuureffect en het conjunctuureffect in de toekomst (2010-2020).
Te zien is dat de elasticiteit van de werkloosheid niet ver afwijkt van eerder gevonden elasticiteiten in de internationale literatuur. Het conjunctuureffect is groter voor werknemers in de marktsector dan voor werknemers bij de overheid. Het structuureffect voor de overheid schommelt rond de nul, terwijl de marktsector een positief structuureffect kent. Het positieve structuureffect bij de marktsector komt met name door een veroudering van het personeelsbestand en het en het stijgen van het gemiddelde opleidingsniveau.
Het conjunctuureffect is voor de meeste afzonderlijke deelsectoren van de overheid negatief. Het conjunctuureffect is het sterkst negatief voor de rijksoverheid. Het structuureffect is positief voor alle afzonderlijke deelsectoren, behalve het onderwijs. Dit negatieve structuureffect wordt veroorzaakt door een afnemend aandeel hoger opgeleiden dat werkt in het onderwijs. Het positieve structuureffect voor het openbaar bestuur (rijksoverheid, gemeenten, provincies, waterschappen) wordt voornamelijk veroorzaakt door een vergrijzing van het personeelsbestand. Voor de provincies, de gemeenten en de waterschappen speelt ook een toename van het gemiddelde onderwijsniveau een grote rol.
Voor de periode 2010-2020 zijn de verwachtingen dat zowel het conjunctuureffect als het structuureffect voor de marktsector hoger is dan voor de overheid. Het verschil in het structuureffect komt vooral door de verwachte toename van het aandeel hoger opgeleiden in de marktsector. - CS1: Onderwijs en arbeidsmarkt 1
- De rol van economische voorkeuren bij de beroepskeuze van schoolverlaters
Didier Fouarge, Ben Kriechel en Thomas Dohmen
Abstract | Print-vriendelijke Abstract
| Download paper
Dit paper laat zien dat economische voorkeuren (risicoattitude en geduld) de beroepskeuze bepalen. Gebruikmakend van gevalideerde schalen meten wij de risicoattitude en het geduld van jongeren rond het moment waarop zij hun beroepskeuze maken in een grote en representatieve survey onder schoolverlaters in Nederland. Wij relateren deze voorkeuren aan kenmerken van beroepen – afgeleid van grote externe databronnen (SSB en EBB) – die informatie dragen over loonrisico, werkgelegenheidsrisico en loonprofiel binnen deze beroepen. Wij laten zien dat, conditioneel op de scholingskeuze, schoolverlaters die meer bereid zijn om risico’s te nemen significant vaker kiezen voor beroepen die gekenmerkt worden door een hoog loonrisico, een hoge mate van conjunctuurgevoeligheid in de werkgelegenheid en een hoog risico op werkloosheid. Schoolverlaters die geduldig zijn kiezen significant vaker voor beroepen met een steil loonprofiel. Wanneer wij beroepen karakteriseren op basis van het loon risico en de steilheid van het loonprofiel (boven en ondergemiddelde), dan laten zij zien dat schoolverlaters met een bovengemiddelde voorkeur voor risico’s vaker kiezen voor beroepen met een hoog loonrisico en steil loonprofiel, ongeacht of ze nu geduldig of ongeduldig zijn. Tenslotte laten zij zien dat individuen die in het ‘verkeerde’ beroep zijn terechtgekomen (een beroep met laag loonrisico terwijl zij een hoge risicoattitude hebben, of andersom) vaker van beroep veranderen en dat het nieuwe beroep beter aansluit bij de risicoattitude. - De keuze voor techniek in het (v)mbo
Koning, J. de, Gelderblom, A. en Gravesteijn, J.
Abstract | Print-vriendelijke Abstract
| Download paper
In het beroepsonderwijs kiezen steeds minder jongeren voor techniek, terwijl de arbeidsmarktperspectieven relatief gunstig zijn. In dit paper bespreken we de factoren die van invloed zijn op de keuze voor techniek in het vmbo en de keuze voor een technische vervolgopleiding bij de overstap van vmbo naar mbo. Hiertoe is op basis van een enquête onder enkele duizenden leerlingen statistisch getoetst welke factoren er bij deze keuzes toe doen. De steekproef van deze enquêtes is zodanig opgezet dat deze een relatief groot aandeel leerlingen van allochtone afkomst omvat, omdat deze groep ondervertegenwoordigd is in techniek. We hebben multivariate analyses uitgevoerd waarbij de keuze voor techniek in verband is gebracht met de volgende factoren: interesse (1), arbeidsmarktperspectieven (2), schooladvies en andere schoolfactoren (3), de sociale omgeving en in het bijzonder de ouders (4), de persoonskenmerken (5) en de rol van bedrijven via stages en bijbaantjes (6).
Uit de resultaten blijkt dat de school een duidelijke invloed heeft op de keuze voor techniek binnen en na het vmbo. Testen op interesse en aanleg en vooral een duidelijk schooladvies stimuleren de keuze voor techniek. Dit geldt vooral voor allochtone leerlingen. Deze leerlingen en hun ouders zijn het meest onzeker over de opleidingskeuze. Ook vergroten van het enthousiasme voor techniek bij leraren en in het algemeen meer prioriteit geven aan techniek op school is effectief. Ook bedrijven blijken invloed te hebben op de keuze voor techniek via bijbaantjes en stages.
Interesse is de belangrijkste determinant van de keuze voor techniek. Uit onze resultaten blijkt dat scholen de interesse voor techniek kunnen vergroten door betere voorlichting te geven over de arbeidsmarktperspectieven van technische opleidingen. We hebben vastgesteld dat een deel van de leerlingen en ouders een vrij negatief beeld hiervan heeft, terwijl de perspectieven juist goed zijn. Verder komt uit het onderzoek naar voren dat leerlingen meer interesse hebben in techniek als de school hieraan prioriteit geeft. Maar lang niet iedere school doet dit, al zijn er momenteel verschillende initiatieven in het vmbo zoals de vakcolleges die de goede richting uitgaan. - Stimuleren van scholing voor lager opgeleide werknemers
Aalst, M. van der, Berg, T. van den en Jansen, H.J.
Abstract | Print-vriendelijke Abstract
| Download paper
Onderwerp 6: Onderwijs en arbeidsmarkt. Een leven lang leren.
Titel: Stimuleren van scholing voor lager opgeleide werknemers
Raad voor Werk en Inkomen
Lageropgeleiden nemen minder deel aan postinitiële scholing dan middelbaar en hogeropgeleiden. Er wordt groot belang gehecht aan het vergroten van de scholingsdeelname onder deze groep, gezien de kwetsbare positie op de arbeidsmarkt en de behoefte aan blijvend inzetbare werknemers. Met een gerichte aanpak lijkt de scholingsdeelname onder lageropgeleiden ook zeker nog te verbeteren.
De RWI is in 2010 twee onderzoeken gestart. De onderzoeken richten zich in principe op werknemers met maximaal mbo-2.
Eén onderzoek heeft concrete aanpakken en praktische mogelijkheden om laag opgeleide werknemers met succes aan het leren te krijgen in kaart gebracht. Het richtte zich daarbij op de manieren om werknemers te motiveren tot het volgen van scholing en de noodzakelijke randvoorwaarden voor bedrijven. Het onderzoek heeft plaats gevonden in vier verschillende branches waarin veel laagopgeleiden werkzaam zijn, te weten de bouw, levensmiddelenindustrie, schoonmaak en afvalverwerking. Er is een literatuuronderzoek uitgevoerd, en er zijn interviews gehouden met vertegenwoordigers in sectorale organisaties, werkgevers, werknemersvertegenwoordigers en individuele werknemers in mainstream en koploper bedrijven. Daarnaast zijn de werkzame elementen in kaart gebracht van een aantal concrete instrumenten, te weten de inzet van vouchers, workshops scholingsbereidheid, leerambassadeurs, meester-gezel, EVC en een online opleidingstraject voor lager opgeleiden.
Het tweede onderzoek geeft zicht op de situatie waarin lager opgeleide werknemers zich bevinden en welke scholing noodzakelijk dan wel wenselijk is om inzetbaar te blijven op de arbeidsmarkt. Door middel van analyses op diverse bestanden (NEA, EBB, AIS) zijn vijf beroepsgroepen in kaart gebracht die een kwetsbare positie op de arbeidsmarkt hebben: deels gaat het om mensen zonder startkwalificatie, deels om mensen met een vakmensen die vanwege ontwikkelingen in de branche kwetsbaar zijn geworden. Te weten, schoonmakers, vrachtwagenchauffeurs beroepsgoederenvervoer, gastheer/-vrouw in de horeca, drukkers en nabewerkers in de grafische industrie en tuinbouwers. In de vijf beroepsgroepen is in kaart gebracht welke scholing noodzakelijk is om werknemers in deze beroepsgroepen blijvend inzetbaar te houden. Dit is gebeurd door middel van focusgroep interviews met opleiders, werkgevers, werknemersvertegenwoordigers en branchevertegenwoordigers.
De resultaten van beide onderzoeken geven inzicht in welk soort scholing noodzakelijk is en hoe laag opgeleide werknemers zijn te stimuleren tot deze scholing. De RWI gebruikt de inzichten voor een advies met beleidsvoorstellen richting bijvoorbeeld sectoren. Dit advies verschijnt naar verwachting najaar 2011. - CS1: Ouderen op de arbeidsmarkt
- Vervroegd uittreden of doorwerken?
Deelen, A., Euwals, R. en Trevisan, E.
Abstract | Print-vriendelijke Abstract
| Download paper
In het pensioenakkoord van voorjaar 2010 stellen werkgevers- en werknemersorganisaties voor om de pensioengerechtigde te verhogen en tegelijkertijd te flexibiliseren. De pensionering kan voorwaarts of achterwaarts aangepast worden tegen een 6,5% actuariële korting respectievelijk verhoging van de jaarlijkse uitkering. Het voorstel komt op onderdelen overeen met het optimale stelsel in Cremer, Lozachmeur en Pestieau (2004). Het idee is dat zwaar werk en problemen met gezondheid deels niet objectief observeerbaar zijn, en dat een optimaal stelsel werknemers toch een redelijke mogelijkheid geeft om vervroegd te stoppen met werken. Maar wel met een laag inkomen. De actuariële omrekening zorgt vervolgens voor een financiële prikkel om toch door te gaan met werken indien de gezondheid dat toelaat. De vraag is wie door de actuariële omrekening worden vooral worden gestimuleerd te blijven doorwerken: de hoge of de lage inkomens? Economische theorie voorspelt dat vooral lagere inkomens worden geprikkeld om te blijven werken omdat zij het extra inkomen harder nodig hebben. De studie presenteert empirische uitkomsten op basis van administratieve gegevens van de zorgsector (pensioenfondsgegevens van PFWZ), aangevuld met administratieve gegevens uit het Sociaal Statistisch Bestand. Uit de resultaten blijkt dat de lage inkomens inderdaad sterker reageren op financiële prikkels. De studie bespreekt ten slotte de beleidsimplicaties. - Meer ouderen langer werkzaam
Arts, C. en Otten, F.
Abstract | Print-vriendelijke Abstract
| Download paper
Meer ouderen langer werkzaam
Koos Arts en Ferdy Otten
De bruto-arbeidsparticipatie van 50- tot 65 jarigen is opgelopen van 42 procent in 1996 naar 62 procent in 2010 (CBS, Enquête beroepsbevolking). De gemiddelde leeftijd van de werkzame beroepsbevolking stijgt, omdat meer ouderen werken en er vanwege de vergrijzing ook steeds meer ouderen bijkomen. Ook de gemiddelde leeftijd waarop mensen met pensioen gaan, is de laatste jaren opgelopen, mede omdat in 2006 de mogelijkheden voor vervroegde uittreding en pré-pensioen zijn beperkt. Van beleidswege is er grote vraag naar systematische informatie over ontwikkelingen in het aantal werkende oudere mannen en vrouwen, de door hen gewerkte uren, de verschillende vormen van voortijdige uitstroom, de bijbehorende aantallen en de leeftijd waarop dit gebeurt. In deze bijdrage wordt ingegaan op de meest recente ontwikkelingen van ouderen op de arbeidsmarkt.
Vrouwen motor achter groeiende arbeidsdeelname ouderen
De arbeidsparticipatie van vrouwen in de leeftijd van 50-65 jaar kwam in 2010 uit op ruim 49 procent. Dat is twee keer zo veel als in 1996. Onder vrouwen van 50 tot 55 jaar steeg de arbeidsdeelname van 40 naar 70 procent, bij vrouwen van 60 tot 65 jaar was sprake van meer dan een verviervoudiging (van 5 naar 22 procent). Bij oudere mannen van 50-65 jaar groeide de arbeidsdeelname minder sterk, van 59 procent in 1996 naar 74 procent in 2010. Bij mannen van 50 tot 55 jaar was de stijging van 86 naar 90 procent het kleinst en bij mannen van 60 tot 65 jaar met een stijging van 18 procent naar 45 procent het grootst.
Bij de toegenomen arbeidsdeelname van vrouwen speelt de generatie duidelijk een rol. Zo ligt bij een indeling naar 5-jaarsgeboortegroepen de arbeidsparticipatie van elke jongere generatie aanmerkelijk hoger dan die van de voorgaande, oudere generatie. Dat suggereert dat de arbeidsdeelname van vrouwen van 50 tot 65 jaar in de komende jaren nog verder zal toenemen. Bij mannen laten de gegevens over cohorten slechts een beperkte invloed zien van de generatie op de arbeidsdeelname.
De gemiddelde arbeidsduur van werknemers van 50 tot 65 jaar is wel afgenomen. Dat komt onder meer door de opmars van deeltijdwerk, vooral onder het sterk toegenomen aantal werkende vrouwen. Daarnaast spelen ook algemene arbeidsduurverkortingen en leeftijdsgebonden regelingen een rol. Bij mannelijke werknemers in de werkzame beroepsbevolking daalde die tussen 1996 en 2010 van 38,4 naar 37,0 uur, bij vrouwen van 26,8 uur naar 26,3 uur.
Pensioenleeftijd omhoog
In de periode 2000-2006 was de gemiddelde pensioenleeftijd van werknemers steeds 61 jaar. In 2007 steeg deze tot 62 jaar. In de landbouw en visserij was in 2008 de pensioenleeftijd van werknemers het hoogst met gemiddeld bijna 65 jaar, terwijl deze in het openbaar bestuur en overheidsdiensten, energiebedrijven, in de bouw en in de gezondheids- en welzijnszorg het laagst was met 61 jaar.
In 2008 gingen bijna acht op de tien werknemers voor hun 65e met pensioen. Bij de zelfstandigen was dat iets meer dan een kwart.
Vergrijzende bedrijfstakken
In 10 jaar tijd (2001-2010) is de gemiddelde leeftijd van de werkzame beroepsbevolking gestegen met 2,7 jaar, van 38,3 naar 41 jaar. Waren er in de werkzame beroepsbevolking in 2001 op iedere honderd dertigers 57 vijftigers, in 2010 is dat opgelopen tot 90.
In 2009 was de gemiddelde leeftijd van de werkzame beroepsbevolking in de landbouw en visserij het hoogst met ruim 44 jaar, gevolgd door het onderwijs met 43,6 jaar. De horeca is gemiddeld het jongst, met ruim 34 jaar. In het onderwijs waren er op iedere 100 dertigers 145 vijftigers werkzaam. - When and why do people retire? The impact of work values, work quality, and national retirement characteristics on individual retirement age in 21 European welfare states.
Fleischmann, M.S., Koster, F., Dykstra, P. en Schippers, J.
Abstract | Print-vriendelijke Abstract
| Download paper
Work values and work quality have been recognized to be important antecedents of employee turnover (Beehr, 1986; Lambert et al, 2001). It is arguable that work quality and work values does not only play a role for voluntary job turnover, but also for the intention to retire (Mein et al, 2000; Siegrist et al, 2006) and the decision to retire (Beehr, 1986; Hayward et al, 1998; Wang & Shultz, 2009; Siegrist & Wahrendorf, 2010). Implementing a country-comparing perspective has instead become an increasingly interesting topic in research on retirement as well as public policy. Regarding social research, most studies investigating the impact of welfare on retirement age in a country comparing perspective take into account rather general national measures, such as GDP per capita of a country (Kim, 2009). Even though this can inform about the relation between retirement age and national characteristics, it does not provide information on the effect of country characteristics on retirement. In order to gain more insight into the actual welfare state characteristics associated with retirement, we propose to include country variables that measure the retirement scheme directly, namely the official retirement age, the minimum contribution period, and the net replacement rate. Referring to considerations about country variation with regard to the decommodification of the welfare state in post-industrial societies (Esping-Andersen, 1990), we assume that dependent on the availability of benefits and their coverage, differences in retirement age between countries can be explained.
To approach the research question when and why individuals take the decision to retire, we include those individual characteristics for which it is known from prior research to influence retirement age (such as health, earnings). Additionally, we use the framework of push and pull factors and rational choice theory to derive expectations about the influence of work values and work quality. We furthermore add macro characteristics informing about the coverage and availability of a country’s retirement benefits and make assumptions about the interplay of individual and institutional characteristics. In order to investigate the effect on retirement age empirically, we make use of the second wave of the European Social Survey (ESS, 2004) and enrich this dataset with international pension indicators that were developed within the MULTILINKS-project (Keck et al, 2009). Thus, we are able to study the impact of the individual and institutional setting on the individual retirement age for 21 European countries (N=3,898). We find a similar impact of those individual characteristics that are known from prior research. Furthermore, work quality appears to have a significant impact on retirement age. With respect to the country characteristics, we do not find results for general characteristics such as the GDP or social inequality, but we do find that the official retirement age for men and women significantly relates to individuals’ retirement age. - Arbeidskosten en productiviteit van oudere werknemers
Conen, W.S., Henkens, C.J.I.M. en Schippers, J.J.
Abstract | Print-vriendelijke Abstract
| Download paper
Beelden over arbeidskosten en productiviteit spelen een belangrijke rol voor de wijze waarop werkgevers met werknemers omgaan. In dit paper wordt onderzocht welke consequenties een vergrijzend werknemersbestand volgens werkgevers zal hebben op arbeidskosten en productiviteit, en welke maatregelen werkgevers toepassen om arbeidskosten te verlagen, dan wel arbeidsproductiviteit te verhogen. Analyses worden gedaan aan de hand van verzamelde surveygegevens; dit survey is in 2009 is gehouden onder 5.822 werkgevers in Denemarken, Duitsland, Frankrijk, Italië, Nederland, Polen, het Verenigd Koninkrijk en Zweden.
Uit de resultaten blijkt dat 75 procent van de Nederlandse werkgevers een toename in de arbeidskosten verwacht indien de gemiddelde leeftijd van het personeel met 5 jaar stijgt; dit is een aanmerkelijk hoger percentage dan in andere Europese landen (variërend tussen 16 en 51 procent). De meerderheid van de Nederlandse werkgevers (58 procent) verwacht dat de productiviteit gelijk zal blijven en circa eenderde deel van de werkgevers verwacht een afname van de productiviteit. Verwachtingen omtrent productiviteit vertonen veel minder grote verschillen tussen landen dan verwachtingen omtrent arbeidskosten. Als verwachtingen ten aanzien van arbeidskosten en productiviteit gecombineerd worden, lijkt met name in Nederland een groter wordend gat tussen arbeidskosten en productiviteit een issue te zijn als het om oudere werknemers gaat. Uit de resultaten blijkt verder dat Nederlandse werkgevers relatief vaak vervroegd pensioen toepassen, alsmede accommoderende maatregelen. Daarentegen worden maatregelen die productiviteit op peil kunnen houden (zoals opleiding voor oudere werknemers) of evenwicht kunnen (terug)brengen tussen kosten en productiviteit (zoals demotie) nauwelijks toegepast. Men zou kunnen verwachten dat werkgevers die een groter gat tussen kosten en productiviteit verwachten er meer aan gelegen is om dit gat ‘te dichten’, en dat deze werkgevers dus vaker maatregelen als opleiding voor oudere werknemers en demotie toepassen. Dit blijkt echter niet het geval te zijn. Werkgevers die een groter gat tussen arbeidskosten en productiviteit verwachten passen daarentegen wél vaker vervroegd pensioen toe of accommoderende maatregelen (zoals taakverlichting voor oudere werknemers). We concluderen dat Nederlandse werkgevers weinig maatregelen lijken te nemen om één van de grootste verwachtte negatieve consequenties van een vergrijzend personeelsbestand – een groter wordend gat tussen arbeidskosten en productiviteit – het hoofd te bieden. - CS1: Stromen van en naar de arbeidsmarkt
- De flexibele schil rondom de WW
Copinga-Roest, M., Muller-Geuzinge, F.G. en Sluiter, N.
Abstract | Print-vriendelijke Abstract
| Download paper
Eerder onderzoek van het Centrum voor Beleidsstatistiek (CBS-CvB) heeft aangetoond dat er een grote flexibele schil op de arbeidsmarkt is die regelmatig gebruik maakt van de WW. En dit beeld wordt over meerdere jaren heen bevestigd.
Het CBS-CvB heeft voor de bijna 200 duizend personen die in 2007 instromen in de WW berekend wat de geschiedenis van deze personen is in banen en uitkeringen vanaf 2001. De helft van deze instromers had al eerder een WW-uitkering ontvangen. Andersom is voor bijna 275 duizend personen die in 2006 uitstromen uit de WW hun latere gebruik van uitkeringen berekend, tot en met het jaar 2008. Daarnaast is ook onderzocht of zij na uitstroom uit de WW weer aan het werk zijn gegaan. Na het beëindigen van de werkloosheidsuitkering vindt minder dan de helft van de mensen een baan voor langere tijd. Eén op de drie van wie de WW-uitkering is gestopt, stroomt binnen enkele jaren opnieuw de WW in.
Het kabinet wil dat er meer mensen deelnemen op de arbeidsmarkt. Om dit te realiseren volgt zij onder meer het SER-advies over de toekomst van de Werkloosheidswet (WW). Dit betekent korter recht op de WW en moeilijker toegang tot deze uitkering. Door deze aanpassingen in de WW moet er beweging op de arbeidsmarkt ontstaan en moet de werkloosheid afnemen.
Door de aanpassingen in de wetgeving is het van belang de ontdekte flexibele schil rondom de WW nader te onderzoeken. In het artikel voor de Arbeidsmarktdag gaan wij dit doen. We zullen, gebaseerd op de aantallen genoemd in eerdere alinea’s, inzoomen op de vraag of er verschillen bestaan tussen regio’s en tussen bedrijfstakken voor mensen die zowel in- als uitstromen in en uit de WW. Hierbij onderzoeken we verschillende kenmerken over zowel banen, personen, als over andere uitkeringen. - Van flexibel naar vast?
Dekker, R., Houwing, H. en Kösters, L.
Abstract | Print-vriendelijke Abstract
| Download paper
Het aandeel flexibele arbeid op de Nederlandse arbeidsmarkt lijkt in de afgelopen 15 jaar substantieel toegenomen volgens cijfers van uitkeringsinstantie UWV. Cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) laten een kleinere toename zien. De mate waarin flexibilisering van de arbeidsmarkt in cijfers tot uiting komt, hangt af van de definitie van flexibiliteit die gehanteerd wordt (Hilbers, Houwing en Kösters, 2011). Het UWV heeft een vrij ruime definitie van flexibiliteit en telt alle werknemers met een tijdelijk of een uitzendcontract als flexibele werknemers. Onder flexibele arbeidsrelaties verstaat het CBS uitzendkrachten, oproepkrachten, en tijdelijke contracten voor korter dan een jaar en/of zonder uitzicht op een vast contract. Tot de werknemers met een vaste arbeidsrelatie behoren volgens het CBS niet alleen personen met een contract voor onbepaalde tijd. Deze groep omvat ook personen die een tijdelijk contract hebben maar waarmee is afgesproken dat zij bij goed functioneren in vaste dienst komen en ook werknemers met een tijdelijk contract voor langer dan een jaar.
In dit paper zijn de werknemers uitgesplitst in verschillende groepen vast en flexibel. Voor de verschillende subgroepen worden de volume-ontwikkelingen getoond. Het aantal werknemers met langdurige tijdelijke contracten of met tijdelijke contracten ‘met uitzicht op vast’ was nooit heel groot, maar de afgelopen jaren is met name de groep werknemers die een tijdelijk contract met uitzicht op vast heeft, toegenomen. De onderzoeksvraag die vervolgens wordt beantwoord is in hoeverre mensen met flexibel werk doorstromen naar vast werk. Hoe ziet bijvoorbeeld het doorstroom patroon eruit voor langdurige tijdelijke contracten, of voor uitzenddienstverbanden? De beantwoording van deze vragen biedt inzicht in de aard van flexibilisering in Nederland: is er binnen het aandeel flexibele arbeid een verschuiving te zien van meer onzekerder vormen van flexibel werk (zoals uitzendwerk) naar zekerder vormen, zoals tijdelijk werk met uitzicht op vast? En wanneer en voor wie worden flexibele contracten ook echt omgezet naar vaste contracten? De bron voor deze analyses is de Enquête beroepsbevolking (EBB). - Transities van uitzendkrachten
Vermeulen, H., Oomens, S., Wit, W. de, Warmerdam, J.
Abstract | Print-vriendelijke Abstract
De recessie van de afgelopen jaren en het daaropvolgend herstel van de economie heeft grote gevolgen gehad voor de werkgelegenheid van uitzendkrachten. In de periode 2006-2007 hebben veel bedrijven een ‘flexibele schil’ opgebouwd die voor een belangrijk deel bestaat uit uitzendkrachten, tijdelijke contractanten en zelfstandigen zonder personeel. De inschakeling van deze groepen is sterk afhankelijk van de conjunctuur. In de tweede helft van 2008 begon in Nederland de economische crisis door te dringen. In 2008 nam het aantal uitzendkrachten al enigszins af terwijl de werkzame beroepsbevolking nog groeide. In 2009 werd het grootste banenverlies van uitzendkrachten gemeten sinds 14 jaar. Het aantal daalde met twintig procent . Begin 2009 werden de effecten ook zichtbaar voor de totale economie. Vanaf mei 2010 groeit de uitzendsector weer, vooral in de industrie.
De flexibele schil is een belangrijke buffer geweest in de recessiejaren bij het opvangen van de terugval in de vraag. In de uitzendbranche heeft dit gezorgd voor extra dynamiek op de arbeidsmarkt. De vraag is wat al deze dynamiek betekent voor individuele uitzendkrachten. De sociale partners in de uitzendbranche hebben onderzoek laten doen om hier meer zicht op te krijgen. Met dit onderzoek willen CAO-partijen een beter beeld krijgen van de arbeidsmarkttransities van uitzendkrachten en van de implicaties daarvan voor werkgelegenheid en werkloosheid van uitzendkrachten. In het kader van het onderzoek zullen de arbeidsmarkttransities van uitzendkrachten over een langere periode (de ‘arbeidsmarktloopbanen’) in kaart worden gebracht. Speciale aandacht hebben de transities van uitzendkrachten tussen verschillende uitzendwerkgevers en de transities tussen uitzendbanen en niet-werkzame perioden. We willen hiermee inzicht geven in de duur dat uitzendkrachten werken op uitzendcontracten waarbij nog relatief weinig werkzekerheid gegeven wordt. Tevens willen we inzicht geven in het gebruik van het sociale vangnet van de werkloosheidsuitkering door uitzendkrachten.
Voor deze analyses maken we gebruik van de Loonaangifte bestanden van het CBS. Deze gegevens bevatten informatie over de aard van de banen waardoor we kunnen bepalen wanneer iemand een uitzendcontract had, en wat de aard van het uitzendcontract was. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in fase A, fase B en fase C. Een uitzendkracht kan deze fasen successievelijk doorlopen en bouwt daarbij steeds meer rechten op. De gegevens uit de loonaangifte bestanden worden gecombineerd met uitkeringsgegevens uit het Sociaal Statistisch Bestand,en met opleidingsgegevens om scholieren en studenten te onderscheiden. - CS2: Arbeid en zorg
- Naar een meer democratische verdeling van beroepsarbeid en beroepsinkomen in Vlaanderen?
Van Dongen Walter
Abstract | Print-vriendelijke Abstract
| Download paper
Deze bijdrage behandelt de verdeling van beroepsarbeid en beroepsinkomen van Vlaamse mannen en vrouwen, als twee belangrijke onderdelen van de tijdsverdeling en de verdeling van middelen (Van Dongen, 2010). Het beroepsinkomen wordt geplaatst tegenover het totale gezinsinkomen. We bestuderen deze aspecten vooral op individueel niveau (mannen en vrouwen) en voor zover zinvol ook op gezinsniveau (positie van partners binnen paargezinnen).
In deze bijdrage onderzoeken we of het proces naar een meer democratische arbeids- en inkomensverdeling tussen mannen en vrouwen (Van Dongen, 2008, 2009), tijdens de voorbije jaren is voortgezet in Vlaanderen. Aan de hand van eenvoudige empirische modellen van de arbeids- en inkomensverdeling tonen we de trage positieve ontwikkeling. Aansluitend bij de conceptuele benadering worden de empirische modellen van de arbeids- en inkomensverdeling in een levensloopperspectief geplaatst, met aandacht voor de voorbije beroepsloopbaan, de huidige verdeling van beroepsarbeid en beroepsinkomen en de gewenste verdeling in de nabije toekomst.
We schetsen eerst een beeld van de voorbije beroepsloopbaan van mannen en vrouwen aan de hand van enkele indicatoren: het aantal jaren dat men een volwaardige baan heeft gehad, het aandeel van het aantal jaren met een volwaardige baan in het totaal aantal jaren dat men beroepsactief kon zijn na de beëindiging van de normale studieperiode en de mate waarin men tijdens de voorbije loopbaan voltijds of deeltijds heeft gewerkt. In de volgende sectie wordt de feitelijke verdeling van beroepsarbeid en beroepsinkomen anno 2009 behandeld: beroepsparticipatie, aantal uren beroepsarbeid, tevredenheid met diverse aspecten van de betaalde arbeid, beroepsinkomen per maand en beroepsinkomen per uur. Het doel is een beter inzicht te krijgen in de arbeids- en inkomensverschillen tussen mannen en vrouwen. Aanvullend wordt het totale gezinsinkomen en het gezinsinkomen per gezinslid behandeld, in relatie tot de beroepsarbeid en het beroepsinkomen. Ten slotte bekijken we de gewenste toekomstige arbeidsverdeling van Vlaamse mannen en vrouwen: wie wil blijven werken en hoeveel uren willen ze in de nabije toekomst presteren; wat is de relatie met de huidige participatiegraad en het huidige aantal uren beroepsarbeid?
Deze analyse leidt tot de beleidsvraag: welke verdeling van beroeps- en gezinsarbeid moet in de nabije en verre toekomst (verder) worden ontwikkeld in Vlaanderen? Uitgaande van de conceptuele benadering en de empirische modellen worden enkele ‘normatieve toekomstmodellen’ of ‘beleidsmodellen’ uitgewerkt, als basis voor een samenhangend geheel van beleidsperspectieven.
Van Dongen, W. (2008) Naar een democratische arbeidsverdeling? Het Combinatiemodel als basis voor een geïntegreerd beleid in Vlaanderen en Europa. SVR-Studie, 2008–1, Brussel: Studiedienst van de Vlaamse Regering.
Van Dongen, W. (2009). Towards a democratic division of labour in Europe? The Combination Model as a new integrated approach to professional and family life. Bristol: The Policy Press.
Van Dongen W., (2010), Naar een meer democratische verdeling van beroepsarbeid en beroepsinkomen in Vlaanderen?. In: Verlet, D. & Callens, M. (red.) (2010), De kwaliteit van het leven, een mozaïek van het dagelijks leven. SVR-Studie 2010/3, Brussel: SVR. - The Effects of Cooperation; A Structural Model of Siblings’ Caregiving Interactions
Knoef, M.G. en Kooreman, P.
Abstract | Print-vriendelijke Abstract
| Download paper
De kosten voor langdurige zorg nemen sterk toe in onze vergrijzende samenleving. Volgens berekeningen van de Europese Commissie stijgen de uitgaven aan langdurige zorg in Nederland van 3,5% van het BBP in 2010 naar 8,1% in 2060 (Sustainability report 2009). Om de kosten voor de langdurige zorg te remmen en arbeidstekorten in de gezondheidszorg te verlichten wil de overheid graag de hoeveelheid mantelzorg verhogen. Mantelzorg kan eenvoudige zorgtaken overnemen en kan er voor zorgen dat ouderen langer thuis kunnen blijven wonen. Echter, de overheid wil ook de arbeidsparticipatie van vrouwen en 50-plussers verhogen, die over het algemeen het meest betrokken zijn bij het geven van mantelzorg. De verhoging van de arbeidsparticipatie en de hoeveelheid mantelzorg zijn twee conflicterende doelen. Om effectieve maatregelen mogelijk te maken is het daarom noodzakelijk inzicht te krijgen in het beslissingsproces van volwassen kinderen met betrekking tot arbeid en informele zorg aan hun ouders.
Gaan mensen minder werken wanneer zij informele zorg aan hun ouders geven? Of hebben mantelzorgers misschien karakteristieken die er voor zorgen dat zij sowieso minder werken? Voor een juiste analyse moeten we er rekening mee houden dat volwassen kinderen ongeobserveerde kenmerken hebben die de keuze voor zowel mantelzorg als arbeid beïnvloeden. In dit paper houden we rekening met deze ongeobserveerde kenmerken door het schatten van een structureel model. Hierin maximaliseren kinderen hun nut over consumptie, vrije tijd en de hoeveelheid informele zorg die hun ouders ontvangen, gegeven hun tijd- en budgetrestrictie. De tijd- en budgetrestrictie zijn afhankelijk van het loon van de volwassen kinderen en de reistijd en reiskosten tussen ouders en hun kinderen.
De resultaten laten zien dat de geografische afstand tussen volwassen kinderen en hun ouders, de gezondheid van ouders, en ongeobserveerde karakteristieken zoals altruïsme en verantwoordelijkheidsnormen belangrijke determinanten zijn voor het geven van mantelzorg. Het loon van de volwassen kinderen speelt daarentegen maar een kleine rol. Deze lage (negatieve) loonelasticiteit met betrekking tot informele zorg betekent dat fiscaal beleid dat het netto loon beïnvloedt weinig effect heeft op informele zorg. Om mantelzorg te stimuleren zou een reductie van de afstand tussen ouders en hun kinderen zeer effectief zijn omdat dit zowel informele zorg als arbeid kan stimuleren, bijvoorbeeld door hier bij de bouw van seniorenwoningen en bij de toewijzing van huurwoningen in de sociale sector rekening mee te houden.
Volwassen kinderen maken de keuze om zorg te geven aan hun ouders vaak niet alleen. Veelal spelen broers en zussen hierin een rol. De interacties tussen broers en zussen zijn in de literatuur nog weinig onderzocht. Broers en zussen kunnen samen een coöperatieve beslissing maken (waarbij zij hun gezamenlijke nut maximaliseren) of een non-coöperatieve beslissing maken (waarbij ieder zijn eigen nut maximaliseert, gegeven het gedrag van de ander). We schatten dat in Nederland zo’n 65% van de volwassen kinderen een non-coöperatieve beslissing maakt en de overige 35% een coöperatieve beslissing. Wanneer het mogelijk is om non-coöperatief gedrag van families om te zetten naar coöperatief gedrag stijgt de informele zorg, maar dit gaat wel ten koste van het aantal fulltime banen. - CS2: Arbeidsmarktinformatie
- Measuring occupations
Tijdens, K.G.
Abstract | Print-vriendelijke Abstract
| Download paper
Occupation is a key variable in socio-economic research. Web-surveys can employ three methods for the occupation question, namely a closed response format using a search tree, an open response format with office coding, and a combined open+closed format using text string matching. Web-surveys are disadvantageous because unidentifiable or aggregated responses can occur due to the absence of an interviewer. To facilitate respondent’s self-identification, the multi-country XYZ web-survey employs a 3-tier search tree with 1,700 occupations. The empirical findings in this paper show that the search tree apparently is not the most optimal response format for the occupation question in web-surveys. Dropout rates are approximately 20% in the 3-tier search tree. Respondents spend 40-60 seconds on search tree completion. The percentage wrong ticked occupations is 1.7%, indicating that the search tree is likely to yield reliable data. The follow-up open response question shows that the problem of composite jobs needs to be tackled, which could be solved by allowing more than one response in the search tree. The analysis shows that lists of occupational titles are country-specific and even when these countries have the same language, they need to be checked for country-specificity, as is shown in the large number of comments of respondents from Flanders where the Dutch list of occupational titles is used.
Using the 2010q2 WageIndictor data for UK, Belgium and Netherlands (24,811 observations), this paper investigated search tree dropout rates, completion time and respondents’ use of an open question following the search tree. Hypotheses relate to question adequacy (do respondents identify with a job title), to survey burden (number of characters in respondent’s search path and respondent could find his occupation in the search tree), and to respondents’ cognitive capacities.
The question adequacy hypothesis explains the dropout rate in the 1st tier of the search tree, but not in the 2nd and 3rd tier. This is understandable, because most respondents will identify the adequacy of the question for their particular situation in the 1st tier. The burden hypothesis explains the dropout rate in the 3rd tier, because this dropout increases with the number of characters in the 1st and 2nd tier.
The question adequacy hypothesis hardly explains completion time in the 2nd and 3rd tier, but the survey burden hypothesis does explain the completion time in both tiers. The more characters in tier 1, 2 and 3, the longer the completion time. Respondents with a wrong match after search tree completion have spend substantial more time in completing tier 2 and tier 3. The cognitive characteristics hypothesis is supported for education and age, as in the 2nd tier the high educated need less completion time and in the 3rd tier the low educated need more time and as in both tiers the older respondents need more completion time. A last study investigated if total completion time in the search tree influences dropout at the end of part 1 of the questionnaire. The results show however that the time-consuming search tree is forgotten at that point in time. - Gebruik en gebruikers van arbeidsmarktinformatie: ervaringen en wensen
van Uitert, C.J., Witjes, R.
Abstract | Print-vriendelijke Abstract
| Download paper
Abstract paper Nederlandse Arbeidsmarktdag
Gebruik en gebruikers van arbeidsmarktinformatie: ervaringen en wensen
Verslag van een onderzoeksproject
Thema: Sectorale en regionale arbeidsmarkten
Raad voor Werk en Inkomen UWV Werkbedrijf
Samenvatting/abstract
De informatie over de arbeidsmarkt is in de loop der jaren sterk gegroeid. Tevens is deze informatie zowel aan de aanbod- als aan de vraagkant veel pluriformer geworden. Partijen zoals de Regionale Platforms Arbeidsmarkt, brancheorganisaties en O&O-fondsen, de provinciebesturen en diverse gemeenten en andere partijen proberen in de behoefte aan regionale arbeidsmarktinformatie te voorzien. Dat heeft geleid tot een lappendeken van informatieproducten over de arbeidsmarkt die – afhankelijk van het gebruiksdoel – meer of minder behulpzaam zijn bij het formuleren van regionaal arbeidsmarktbeleid en van de daaruit voortvloeiende ‘acties’.
Er is echter te weinig zicht op de mate waarin deze arbeidsmarktinformatiebronnen op elkaar aansluiten of met elkaar in overeenstemming zijn, wat de kwaliteit van de informatie is, wat de bruikbaarheid voor beleid is en of er witte vlekken in de informatievoorziening zijn. Kortom, de hoeveelheid informatie is toegenomen maar het is de vraag in hoeverre dat ten goede is gekomen van de transparantie. Het is zelfs mogelijk dat het voor gebruikers van arbeidsmarktinformatie juist onduidelijker is geworden welke bronnen voor welk doel beschikbaar zijn en welke het beste kunnen worden gebruikt. Dit maakt het zicht op de werking van de arbeidsmarkt (door middel van betrouwbare arbeidsmarktinformatie) minder helder. Daarom is het van belang dat wordt onderzocht hoe deze situatie in de praktijk wordt ervaren en hoe door een innovatief gebruik van arbeidsmarktinformatiebronnen op een proactieve wijze kan worden ingespeeld op de informatiebehoeften van de gebruikers, met name in regio’s, bij overheid (gemeenten,UWV), ondernemers (sectoren) en het onderwijs.
Dit was reden voor de Raad voor Werk en Inkomen en het UWV WERKbedrijf reden om de handen ineen te slaan en het project arbeidsmarktinformatiebronnen te starten. Op de Nederlandse Arbeidsmarktdag kan verslag worden gedaan van de uitkomsten van dit project en kan een paper worden gepresenteerd. De presentatie zal tevens door RWI en UWV WERKbedrijf gezamenlijk worden gedaan.
Om gedecentraliseerd arbeidsmarktbeleid goed handen en voeten te kunnen geven zijn in de praktijk bruikbare arbeidsmarktinformatiebronnen noodzakelijk. Een belangrijke stap die daarin al gezet is, is de wettelijke opdracht die het UWV WERKbedrijf van het Ministerie van SZW heeft gekregen om de arbeidsmarktregio’s van goede regionale arbeidsmarktinformatie te voorzien aan de hand van de zogenaamde Basissets Regionale Arbeidsmarktinformatie, bedoeld voor de 30 regio’s. Standaardisering is van belang, omdat daarmee voor de regio’s de mogelijkheid ontstaat om de situatie op de eigen arbeidsmarkt te vergelijken met die bij anderen. Het UWV werkt aan een verdere uitbouw en upgrading van deze basissets. Het onderhavige project had mede als doel het vervolmaken van de basissets arbeidsmarktinformatie.
Het uitgevoerde onderzoek bestaat uit twee onderdelen:
- het maken van een state of the art studie van arbeidsmarktinformatiebronnen;
- een inventarisatie van de ervaringen van gebruikers met deze informatiebronnen.
In kaart is gebracht welke arbeidsmarktbronnen er zijn (landelijk, sectoraal, regionaal) en op welke wijze bestaande bronnen – die nog niet als zodanig worden gebruikt – kunnen worden ingericht ter onderbouwing van regionaal arbeidsmarktbeleid. Ook zijn de ervaringen van (landelijke en regionale) gebruikers van arbeidsmarktinformatie in kaart gebracht: welke bronnen gebruiken zij (en waarom) en welke niet? Hoe sluit arbeidsmarktinformatie aan op de behoeftes van gebruikers? In de paper zullen op de NAD 2011 de resultaten worden gepresenteerd. Daarbij zal ook veel aandacht worden besteed aan de aanbevelingen die het UWV WERKbedrijf en de RWI aan verschillende adressanten (ministeries, databeheerders en –leveranciers, gebruikers) hebben gedaan. - CS2: CBS Workshop: Gebruik microgegevens over arbeid
- Geen inzendingen.
- CS2: CBS Workshop: Statistieken over arbeid op StatLine
- Geen inzendingen.
- CS2: Loonvorming 2
- Economische zelfstandigheid van werkende mannen en vrouwen
Marion van den Brakel
Abstract | Print-vriendelijke Abstract
| Download paper
Het streven van de overheid om de arbeidsparticipatie van vrouwen te verhogen en zodoende het verwerven van een eigen inkomen te stimuleren begint zijn vruchten af te werpen. Sinds 2000 is de arbeidsparticipatie van vrouwen flink gestegen. Met het aandeel werkenden groeide ook het percentage vrouwen dat zichzelf financieel kan bedruipen, ofwel ‘economisch zelfstandig’ is. Dat wil zeggen dat men door betaald werk minimaal een inkomen op bijstandsniveau heeft. In 2008 lag de grens voor economische zelfstandigheid op 830 euro per maand.
Vooral vanaf 2005 is de economische zelfstandigheid van vrouwen flink gegroeid: van 42 procent in 2005 naar 47 procent in 2008. Bij mannen bleef het aandeel in die periode stabiel op ongeveer 70 procent. De economische zelfstandigheid van vrouwen neemt niet alleen toe wanneer meer vrouwen gaan werken, maar ook wanneer de arbeidsduur van werkende vrouwen met een kleine baan omhoog gaat. In het emancipatiebeleid wordt daarom ook niet alleen ingezet op het verhogen van de arbeidsparticipatie van vrouwen in personen, maar ook in uren.
Dit onderzoek focust op de economische zelfstandigheid van werkende vrouwen en mannen. Om te analyseren welke werkenden (mensen met een baan van minstens één uur per week) van 15-64 jaar economisch zelfstandig zijn, is gebruik gemaakt van een unieke dataset: aan gegevens uit de Enquête Beroepsbevolking van het CBS zijn inkomensgegevens, voornamelijk afkomstig van de Belastingsdienst, gekoppeld.
Mannen met een betaalde baan zijn vaker economisch zelfstandig dan werkende vrouwen (84 procent versus 66 procent in 2008). Op jonge leeftijd is er nog weinig verschil tussen werkende mannen en vrouwen, maar het verschil in economische zelfstandigheid neemt flink toe vanaf 30 jaar, de leeftijd waarop veel vrouwen minder uren gaan werken vanwege de komst van kinderen. Bij tweeverdieners zijn de verschillen in economische zelfstandigheid tussen mannen en vrouwen aanzienlijk.
Het aandeel economisch zelfstandigen groeit met een toenemende wekelijkse arbeidsduur. Hoewel mannen in de regel economisch zelfstandiger zijn dan vrouwen, geldt dat niet voor deeltijdwerkers. Dit komt onder meer doordat mannen in zulke banen vaker op een lager beroepsniveau werken en gemiddeld jonger zijn. Mannen die in voltijd (minimaal 35 uur per week) werken zijn wel economisch zelfstandiger dan vrouwen. Voltijds werkende mannen hebben meestal een baan van 40 uur per week, bij vrouwen komt de 36-urige werkweek juist meer voor.
Het sekseverschil in economische zelfstandigheid is bij werknemers veel kleiner dan bij mensen met een eigen onderneming. Bij werknemers is de kloof geheel toe te schrijven aan verschillen in leeftijd en arbeidsduur. Maar bij ondernemers hebben mannen, na correctie voor leeftijd en arbeidsduur, nog steeds bijna twee keer zoveel kans om economisch zelfstandig te zijn dan vrouwen.
Economisch zelfstandige mannen verdienden in 2008 netto gemiddeld 2,8 keer het bijstandsniveau, bij vrouwen was dat 1,9. Dit sekseverschil in inkomensniveau is sinds 2005 niet veranderd. Bij werknemers komt bijna 60 procent van het niveauverschil voor rekening van verschillen in onder meer leeftijd, arbeidsduur, beroepsniveau, werkervaring en leidinggeven. Bij zelfstandigen is dat slechts 31 procent. - Loonvorming in tijden van crisis
Harteveld, L.J. en Rojer, M.F.P.
Abstract | Print-vriendelijke Abstract
| Download paper
§1. Probleemstelling
De kredietcrisis die in het najaar van 2008 de Nederlandse economie onverwacht snel en raakte, was de grootste achteruitgang die het CBS ooit heeft gemeten. Hoe hebben cao-partijen gereageerd op deze crisis in termen van loonafspraken en looptijden, en hoe snel?
De probleemstelling van onze bijdrage luidt als volgt: op welke wijze kunnen sociale partners invloed uitoefenen op loonvorming in het kader van crisisbestrijding?
In het verlengde van deze vraag kijken we onder andere naar de rol die het Centraal Akkoord heeft gespeeld, zoals dat in het voorjaar van 2009 tot stand is gekomen tussen sociale partners en het kabinet.
Om deze vragen te beantwoorden kijken we op verschillende manieren naar de loonafspraken die in de periode 2007 t/m medio 2011 zijn gemaakt. Voordat we naar de resultaten van deze analyses gaan, zetten we eerst het denkraam uiteen: het doorwerkingsmodel (§2). Daarna komt de onderhandelingscontext van de afgelopen jaren aan bod (§3).
§2. Denkraam
Na een beknopte omschrijving van het model van doorwerking (van centraal overleg naar cao-afspraken) zetten we beknopt uiteen welke drie belangrijkste berekeningswijzen gebruikt worden om de loonstijging uit te kunnen rekenen:
•Indexcijfers
•Kalenderjaarbasis (niveaubasis en jaarbasis)
•Twaalfmaandsbasis
Bij elk van de drie berekeningswijzen zetten we de belangrijkste voor- en nadelen uiteen. We eindigen met de constatering dat er ook keuzes gemaakt moeten worden bij de berekening van een gemiddelde: dit kan ongewogen en herwogen (naar aantal werknemers).
De conclusie luidt dat de impact van de kredietcrisis het beste kan worden bekeken op basis van de loonstijging op twaalfmaandsbasis.
§3. Onderhandelingscontext
•MEV 2007: Economie komt goed op stoom (Economische groei trekt stevig aan, spanning in economie loopt op, inflatie en loonstijging blijven gematigd)
•MEV 2008: In de pas met Europa (Onrust op de financiële markten en spanning op de arbeidsmarkt neemt toe)
•MEV 2009: Economische groei vlakt af (Bedenkelijk hoge inflatie, mondiale groei gaat nog verder terugvallen, neergang in Nederland nu echt ingezet maar spanning op arbeidsmarkt blijft)
•Prinsjesdag 2008: ‘hele rustige begroting’ tegen een ‘hele onrustige economische achtergrond’
•Najaarsakkoord 2008 (7 oktober 2008): Samen doen wat mogelijk is
•CEP 2009: Nederland in diepe recessie (Onrust op de financiële markten verder toegenomen waardoor productie eind vorig jaar scherp daalde)
•Voorjaarsakkoord 2009 (25 maart 2009):
•Val kabinet Balkenende IV (20 februari 2009)
§4. Economische crisis en loonvorming
Hoe reageren cao-partijen in termen van loonvorming vanaf 2009 op de kredietcrisis?
Op basis van het twaalfmaandsgemiddelde kunnen we grofweg drie perioden onderscheiden:
•Laatste kwartaal 2008: looneis van 3,5% staat nog centraal
•T/m maart 2009 (Voorjaarsakkoord): overgangszone
•Vanaf april 2009: looneis van 1% (de voor 2009 geraamde inflatie) lijkt centraal te staan
We concluderen dat in de laatste drie maanden van 2009 de gemiddelde loonsverhoging 1% op twaalfmaandsbasis bedraagt. De impact van het Voorjaarsakkoord op de loonafspraken is groot: voor het Voorjaarsakkoord bedroeg de gemiddelde loonsverhoging ruim 2,6% op twaalfmaandsbasis, daarna nog maar 1,3%.
§5. Economische crisis en andere ontwikkelingen
Cao-partijen kunnen ook op andere manieren reageren op de kredietcrisis dan loonmatiging. Denk bijvoorbeeld aan vertraagde onderhandelingen, kortere (of juist langere) looptijden en afspraken over (investeringen in de kwaliteit van) werkgelegenheid. Verder kunnen we eventueel CBS-cijfers over banen, vacatures en gewerkte uren benutten. Indien mogelijk bekijken we e.e.a. in onderlinge samenhang.
Verder beschrijven we de uitkomsten van een nog uit te voeren sectorale analyse. Hierbij denken we aan (een selectie van) Bouw, Detailhandel, Groothandel, Horeca, Industrie, Transport & opslag, Zakelijke dienstverlening, Onderwijs, Overheid en Zorg.
§6. Conclusie
•Het cao-seizoen 2009 is een bijzonder seizoen geweest. Nog nooit eerder in de geschiedenis hebben cao-partijen te maken gehad met zo’n grote economische terugval. En is een Najaarsakkoord opengebroken en vervangen door een nieuw akkoord.
•Op basis van analyses van de loonstijging op twaalfmaandsbasis blijkt sprake te zijn van een snellere reactie dan zichtbaar is in cijfers op kalenderjaarbasis of indexcijfers.
•Ook de grote invloed van centrale akkoorden op de loonvorming wordt door de uitkomsten bevestigd. - Sectorale verschillen en de loonkloof tussen mannen en vrouwen in Nederland
Dankmeyer, B. en Tijdens, K.G.
Abstract | Print-vriendelijke Abstract
| Download paper
In Nederland verschilt de loonkloof tussen mannen en vrouwen tussen sectoren aanzienlijk. De subsector “vervoer door de lucht” kent een loonkloof van bijna 39%, terwijl deze bij de subsector “milieudiensverlening” zich beperkt tot 0,1%. Verklaringen hiervoor zijn nog weinig getest: is louter de sexe-samenstelling van de sector van belang of zijn ook de sectorale compositie naar loonklassen, leeftijdsklassen of bedrijfsgroottes van belang? Met andere woorden, houden structurele kenmerken van sectoren de loonkloof in stand? Deze vragen worden in dit paper onderzocht met behulp van dat uit de Statistiek Werkgelegenheid en Lonen (SWL) van het CBS. De SWL is een integraal bestand, gebaseerd op de polisadministratie met informatie van alle banen in Nederland van werknemers die onder de Nederlandse loonheffing vallen. In 2009 betrof dit ongeveer 8 miljoen banen. Op basis van 4-digit SBI-indeling van de Nederlandse arbeidsmarkt zijn deze kenmerken geaggregeerd en vervolgens is hun invloed op de gemiddelde loonkloof in de sector onderzocht met behulp van regressie analyses. - CS2: Onderwijs en arbeidsmarkt 2
- Informeel leren op de werkplek: relatie met beroepskenmerken, opleidingsdeelname en loopbaanmobiliteit
Pleijers, AJSF & Smits, W.
Abstract | Print-vriendelijke Abstract
| Download paper
Samenvatting
Werkzekerheid is vanwege de afgenomen baanzekerheid steeds belangrijker geworden. Investering in een leven lang leren wordt steeds belangrijker, onder meer om met ontslag bedreigde werkenden aan het werk te houden. Naast deelnemen aan opleidingen kunnen werkenden zich ook verder ontwikkelen door informeel leren op de werkplek. Er is nog weinig bekend over deze vorm van leren en de opbrengsten ervan. Dit paper beschrijft een studie naar de samenhang tussen informeel leren op het werk en persoons- en functiekenmerken. Ook wordt een link gelegd tussen het volgen van (formele) opleiding en informeel leren. Daarnaast wordt onderzocht in hoeverre informeel leren op het werk samenhangt met loopbaanmobiliteit.
De informele leermogelijkheden die een werkende ervaart op de werkplek en de bereidheid om zelf op het werk nieuwe kennis en vaardigheden te ontwikkelen worden als indicatoren voor informeel leren op de werkplek beschouwd. Er wordt gebruik gemaakt van gegevens uit 2008 uit de Adult Education Survey (AES) gekoppeld aan de Enquête Beroepsbevolking (EBB) van het CBS. De steekproef bestaat uit personen van 25 tot 65 jaar met een betaalde baan van 12 uur of meer per week. Om een antwoord te vinden op de onderzoeksvragen zijn een aantal regressieanalyses uitgevoerd.
Werkenden die een opleiding volgen ervaren meer informele leermogelijkheden op het werk dan werkenden die dat niet doen, terwijl degenen die een lange opleiding volgen daarnaast zelf vaker initiatief nemen om informeel te leren dan werkenden die geen opleiding volgen. Mensen die lang in hun baan werkzaam zijn, ervaren minder mogelijkheden om informeel te leren op de werkplek, dan mensen die korter in een baan werken. Verder komt uit het onderzoek naar voren dat werkenden die op het werk voldoende informele leermogelijkheden hebben minder vaak het voornemen hebben om ander werk te zoeken. Hetzelfde geldt voor werkenden die op eigen initiatief nieuwe kennis en vaardigheden ontwikkelen op het werk. - TNO’s Dashboard Monitoring Duurzame Inzetbaarheid
Wevers, C, Kraan, K., Geuskens, G. en Sanders, J.
Abstract | Print-vriendelijke Abstract
| Download paper
Duurzame inzetbaarheid van werkenden is te karakteriseren als het vermogen om gezond, vitaal en productief deel te nemen aan (betaalde) arbeid tot de pensioengerechtigde leeftijd.
Deze bijdrage aan de Nederlandse Arbeidsmarktdag 2011 zet uiteen hoe de Duurzame Inzetbaarheid (DI) van werknemers en het DI-werkgeversbeleid in Nederland is te monitoren. Het hiervoor ontwikkelde ‘dashboard duurzame inzetbaarheid’ (figuur 1) omvat in een twintigtal indicatoren determinanten en effecten op het gebied van duurzame inzetbaarheid. Aan de hand van het dashboard kunnen DI-profielen gemaakt worden waarmee groepen werknemers kunnen worden vergeleken op hun gemiddelde duurzame inzetbaarheid en de rol die werkgevers met hun beleid spelen bij het bevorderen daarvan, én waarmee vergelijkingen kunnen worden gemaakt tussen sectoren naar enerzijds duurzame inzetbaarheid van werknemers en anderzijds duurzame inzetbaarheidsbeleid van werkgevers . Als voorbeeld zijn in dit paper de DI profielen voor laagopgeleiden en voor de sectoren gezondheids- en welzijnszorg en financiële diensten uitgewerkt.
Uit deze eerste DI profielen blijkt onder meer dat:
- De gezondheids- en welzijnsector heeft een relatief ongunstig duurzaam inzetbaarheidsprofiel.
- De financiële dienstverlening daarentegen heeft een gunstig profiel waar het gaat om duurzame inzetbaarheid.
- Laagopgeleiden minder gunstig scoren op vrijwel alle indicatoren van duurzame inzetbaarheid. - Doorleren of werken
Edzes, A.J.E., M. Hamersma en J. van Dijk
Abstract | Print-vriendelijke Abstract
| Download paper
Wat is de invloed van regionale omstandigheden op de keuze van laag opgeleiden om al dan niet door te gaan leren? En hoe verhoudt dat zich tot de kans om te gaan werken? In dit onderzoek worden regionale verschillen in transities geanalyseerd die laag opgeleide schoolverlaters anderhalf jaar na het behalen van het diploma gemaakt hebben. Achtereenvolgens wordt ingegaan op 1. de kans om door te leren, 2. in geval men niet doorleert wat de kans is op werk en 3. wanneer men werkt wat het gemiddelde uurloon is. Daarvoor wordt gebruik gemaakt van het ROA-schoolverlatersonderzoek over de periode 1997-2008. - CS2: Sociaal zekerheid
- Hoe kiezen werkgevers?
Groenewoud, M.
Abstract | Print-vriendelijke Abstract
| Download paper
Werkgevers kiezen vaak liever voor gezonde personen met recente werkervaring dan voor langdurig werklozen en/of arbeidsongeschikten. Voor beleidsmakers is het belangrijk om te weten of dit keuzeproces van werk-gevers kan worden beïnvloed door de inzet van re-integratie-instrumenten zoals loonkostensubsidie. De Wet stimulering arbeidsparticipatie (Wet STAP) biedt UWV de mogelijkheid loonkostensubsidie in te zetten ter bevordering van de arbeidsparticipatie van personen met een grote afstand tot de arbeids-markt. Loonkostensubsidie houdt in dat werkgevers gedurende twaalf maanden een deel van de loonkosten vergoed krijgen van UWV. De achter-liggende gedachte is dat werkgevers door de inzet van loonkostensubsidie eerder geneigd zullen zijn tot het aannemen van langdurig werklozen en (deels) arbeidsongeschikten.
Gebruikmakend van conjunctanalyse (ook bekend als de vignettenmethode) is het keuzeproces gesimuleerd dat een werkgever doorloopt bij de keuze tussen kandidaten voor het vervullen van vacatures. Er is voor deze methode gekozen omdat hiermee het proces dicht wordt benaderd dat werkgevers in de praktijk doorlopen bij de keuze tussen kandidaten voor het vervullen van vacatures. Verder is bij het gebruik van deze methode het risico van sociaal wenselijk antwoordgedrag kleiner dan bij directe bevraging van respondenten. Op basis van de keuzes van de werkgevers is het mogelijk voor een willekeurige kandidaat te schatten hoe aantrekkelijk hij of zij in het algemeen door werkgevers wordt gevonden, zowel zonder als met de inzet van instrumenten zoals loonkostensubsidie.
Uit het onderzoek blijkt dat door de inzet van loonkostensubsidie het keuzeproces van werkgevers inderdaad kan worden beïnvloed. Kandidaten met een grote afstand tot de arbeidsmarkt worden aantrekkelijker gevonden door de inzet van loonkostensubsidie. De duur van de subsidie speelt ook een rol, als de subsidie korter dan twaalf maanden zou duren, vindt men dit minder aantrekkelijk. Door de inzet van loonkostensubsidie zijn werkgevers eerder geneigd om iemand aan te nemen bij wie men enige angst of onzekerheid heeft over mogelijke uitval en/of lagere productiviteit. Loonkostensubsidie is echter niet doorslaggevend. Werkgevers hechten vooral belang aan de opleiding, werkervaring en beschikbaarheid van de kandidaat. Men vindt het belangrijk dat kandidaten aan de gestelde eisen op deze gebieden voldoen. De inzet van loonkostensubsidie leidt er slechts in beperkte mate toe dat men soepeler met deze eisen omgaat.
Sleutelwoorden: werkgevers, loonkostensubsidie, conjunctanalyse, arbeidsongeschiktheid, langdurige werkloosheid - Return to work after long term sickness
Everhardt, T.P. en Jong, Ph.R. de
Abstract | Print-vriendelijke Abstract
| Download paper
In this paper the impact of vocational interventions on the duration until reemployment of long term sick workers is studied, taking account of self-perceived health and other personal, medical and vocational characteristics. This paper is an addition to a relatively small number of studies by economists who dwell on the efficacy of vocational interventions for sick workers. Such studies are more in the realm of occupational medicine and social science.
Dutch employers cannot dissolve a labor contract until two years after the first day of sickness and are subject to fierce, financial and administrative, incentives to reduce the risk of long-term sickness and disability benefit dependency. Dutch firms, therefore, have a strong interest in using effective return-to-work activities, much stronger than firms in other countries do. A unique cohort study enables us to assess the extent to which employers are successful in helping their long-term sick employees return to work. The purpose of this survey was to track how many employees resume their old or other work, what their personal, medical and vocational characteristics are and whether they got help to return to work.
We use a longitudinal dataset containing three waves of interviews with employees who were still on the sickness rolls nine months after calling in sick. We compare a semi-parametric Cox model with a Weibull model to allow for unobserved heterogeneity. The results from these models are quite similar. They point to the importance of the set of accommodation and rehabilitation activities that employers and occupational health agencies employ and of a timely start of such activities. Their effectiveness shows that the series of reforms in sickness and disability schemes that were introduced from 2002 onwards have been quite successful. - Re-integratie inspanningen van publiek (UWV) en privaat verzekerde werkgevers sinds de WIA
Cuelenaere, B., T.J. Veerman
Abstract | Print-vriendelijke Abstract
| Download paper
Re-integratie inspanningen van publiek (UWV) en privaat verzekerde werkgevers sinds de WIA
B. Cuelenaere, AStri beleidsonderzoek en –advies
T.J. Veerman, AStri beleidsonderzoek en –advies
Aanleiding
Sinds de invoering van de loondoorbetaling bij ziekte door werkgevers in de jaren negentig, hebben werkgevers meer verantwoordelijkheid gekregen voor reïntegratie van hun langdurig zieke werknemers. Inmiddels zijn werkgevers verplicht om het loon van een zieke werknemer twee jaar door te betalen. Met de invoering van de WIA, de opvolger van de WAO, eind 2005 was het de bedoeling dat het systeem voor werknemers en voor werkgevers prikkels zou bevatten om een beheersing van de instroom te stimuleren en uitstroom te bevorderen. Daartoe werd in de WGA (regeling voor gedeeltelijk arbeidsongeschikten in de WIA) premiedifferentiatie ingevoerd en de mogelijkheid van het ‘eigen risicodragerschap’ voor werkgevers. Daarbij betalen de werkgevers voor de WGA geen premie aan UWV en moeten zij zich dan privaat verzekeren voor dit risico. Deze werkgevers zijn ook verantwoordelijk voor de re-integratie van hun werknemers die in de WGA komen.
In het kader van de tussenevaluatie WGA en de evaluatie WIA, die door AStri zijn uitgevoerd in opdracht van het ministerie van SZW, zijn twee enquêtes onder werkgevers uitgevoerd over hun ervaringen met de WIA en met het eigen risicodragerschap.
Vraagstelling
In deze bijdrage staat de volgende vraag centraal:
Is er een verschil in re-integratie activiteit van werkgevers die in het publieke bestel zijn gebleven en degenen die eigen risicodrager zijn geworden?
Daarvoor beantwoorden we de volgende vragen:
- in hoeverre zijn werkgevers het eens met de WIA-uitslag, uitgesplitst naar kenmerken werkgever (wel/ niet ERD en bedrijfsomvang)?
- wat doen werkgevers voor hun werknemers in de re-integratiepopulatie ( 35%-80% arbeidsongeschiktheid) en voor de 35-minners en is er wat betreft inspanningen een verschil tussen ERD en publiek verzekerde werkgevers of naar bedrijfsomvang?
Methode
Deze vragen worden beantwoord aan de hand van analyse van een schriftelijke enquête die door 1819 werkgevers (30% respons) is ingevuld. Het gaat om werkgevers die in de periode 1-1-2009 en 1-5-2010 met tenminste een (1) WIA aanvraag voor een werknemer van hun bedrijf te maken hadden. Dit betekent dat dit onderzoek geen betrekking heeft op de zogenoemde ‘vangnetters’.
Discussie
Het doel van de toegenomen eigen verantwoordelijkheid van de werkgever voor de reïntegratie van werknemers was het bevorderen van re-integratie van gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemers. Zeker van werkgevers die voor eigen risicodragerschap kozen werd verwacht dat dit hun inspanningen zou stimuleren. Hier zijn we nagegaan in hoeverre deze doelen bereikt zijn en of de mogelijkheden die de WIA de werkgever biedt voldoende zijn om zijn re-integratie inspanningen te vergroten. Daarbij vallen een aantal zaken op:
- het grootste deel WGA-gerechtigden is niet re-integreerbaar omdat zij volledig arbeidsongeschikt zijn;
- werkgevers zijn het relatief vaak niet eens met de beslissing 80%-100% WGA;
- de inspanningen van werkgevers voor 35-minners zijn vergelijkbaar met die voor gedeeltelijk WGA’ers …terwijl ERD- werkgevers wel kosten maken voor gedeeltelijk WGA’ers en niet voor 35-minners.
Naar aanleiding hiervan bespreken we de werking van de financiële prikkels voor de werkgevers in de WGA. - CS3: Arbeidsmarktbeleid
- Zelfredzaamheid en zelfsturing
Geuns, R.C. van, P. Wesdorp, G. Duinkerken
Abstract | Print-vriendelijke Abstract
| Download paper
De veranderingen in ons stelsel van sociale zekerheid en de uitvoering daarvan worden niet zozeer gedreven door nieuwe inhoudelijke inzichten maar veel meer door de noodzaak om van tijd tot tijd te bezuinigen of om te buigen. De rolopvatting van de overheid is met andere woorden vooral afgeleid van de financiële kaders. Het groeiend appel op de zelfredzaamheid van de burger houdt daarmee gelijke tred. Het aantal ‘gebruikers’ van de sociale zekerheid moet omlaag omdat de kosten niet meer te dragen zijn of omdat er te veel mensen langs de kant van de arbeidsmarkt staan. Beheersing van overheidsfinanciën respectievelijk dreigende krapte op de arbeidsmarkt zijn hierbij de argumenten. Het is echter ook mogelijk om redenerend vanuit het belang van de betrokkenen (de werkzoekenden c.q. uitkeringsgerechtigden) een stevige en inhoudelijke argumentatie op te zetten voor een andere invulling van het sociale zekerheidsstelsel. Daarbij gaat het dan zowel om de institutionele vormgeving van het stelsel als om de uitvoering daarvan.
Het paper dat wij hier voorstellen wil aan de hand van theoretische inzichten vanuit de sociaal psychologie maar ook op basis van ervaringen met anders ingerichte stelsels dan wel andere manieren van uitvoering van sociale zekerheidsstelsels, laten zien dat het mogelijk is tot een effectiever, dat wil zeggen meer op activering gericht, stelsel te komen.
De theoretische invalshoeken die wij daarbij gebruiken zijn die van onder andere Fishbein & Ajzen, Prochaska & DiClimente, Wanberg & Van Hoof, en anderen. Centraal staat de sociaalpsychologische dynamiek van werkloosheid en werkzoekgedrag, de relatie met onder meer motivatie, het geloof in eigen kunnen, het kunnen omgaan met tegenslagen en de manieren waarop gericht aan gedragsverandering en aan zelfredzaamheid kan worden gewerkt.
Voor de empirische onderbouwing van ons paper putten wij enerzijds uit de onderzoeksliteratuur [meta-studies van o.a. Connie Wanberg, vul ik wel verder aan] en anderzijds uit onderzoek dat wij zelf gedaan hebben in zowel Nederland als in de Verenigde Staten. Deze onderzoeken zijn vooral gericht op het verkrijgen van een antwoord op de vraag: “Wat werkt voor welke klant en waarom?”. Door naar specifieke interventies te kijken en door in die onderzoeken gebruik te maken van de analysekaders vanuit genoemde sociaalpsychologische theorieën hebben wij een begin kunnen maken met het achterhalen van de werkzame bestanddelen uit interventies gericht op integratie in de arbeidsmarkt van uiteenlopende groepen werkzoekenden.
Conclusie uit zowel de theorie (evidence based knowledge) als de praktijk (practice based knowhow) is dat het zoeken van aansluiting bij de intrinsieke motivatie van werkzoekenden in combinatie met het aanspreken van extrinsieke bronnen de beste garanties geeft voor succes. Daarmee worden dan niet alleen de macro-economische doelen gerealiseerd die hiervoor benoemd werden, maar ook en vooral de micro belangen van de betrokkenen. Werken zorgt namelijk voor een aanzienlijke (gemiddelde) toename van welzijn en welvaart voor de betrokkenen. Niet alleen hun inkomen neemt toe, maar ook en vooral hun feitelijke gezondheid en hun gezondheidsbeleving, hun gevoel van eigen waarde en de zelfredzaamheid in andere levensdomeinen. - Intransparantie op de arbeidsmarkt
Roobol, C.J.J., Tang, M.F.M. en Waasdorp, G.J.M.
Abstract | Print-vriendelijke Abstract
| Download paper
Mismatch op de arbeidsmarkt
Mismatches op de arbeidsmarkt kunnen worden verklaard door het spanningsveld tussen vraag en aanbod van arbeid en de invloed van omgevingsfactoren hierop (Research voor Beleid, 2010). De mismatches bestaan op het gebied van kwantiteit en kwaliteit van arbeid en de intransparantie op de arbeidsmarkt. De focus van dit paper ligt op het laatste punt. De opkomst van internet als oriëntatiekanaal heeft de arbeidsmarkt niet transparanter gemaakt. Zo zijn er in 2010 1,6 miljoen unieke vacatureplaatsingen geweest op internet, verspreid over 894 vacaturesites en meer dan 10.000 sites waar meerdere werkgevers hun vacatures op aanbieden. Daarnaast bestaan de relevante internetsites ook uit de recruitmentsites van werkgevers, zoekmachines en social media (YER, 2010).
Om de juiste vacatures te vinden, moeten hedendaagse baanzoekers beschikken over goede internetvaardigheden. Dat dit niet vanzelfsprekend is, blijkt uit eerder onderzoek (Van Deursen, 2010). Van Deursen stelt dat internetvaardigheden van Nederlanders ondermaats zijn en met name tekort schieten bij de keuze voor de juiste zoektermen bij het vinden van informatie op internet. Geldt dit al voor internetgebruik in het dagelijkse leven, dan zal het nog lastiger worden als mensen moeten zoeken in een domein (de arbeidsmarkt) waarin ze ad hoc actief zijn. Bovendien versterken de volgende punten de intransparantie op de arbeidsmarkt:
• Mensen weten niet hoe ze moeten zoeken naar een baan
• Te veel kanalen waardoor werknemers door de bomen het bos niet meer zien en steeds minder kanalen gebruiken (Intelligence Group, 2010)
• Werkgevers weten niet welke kanalen voor welke doelgroepen gebruikt moeten worden en gebruiken de meeste kanalen op de verkeerde manier
Het niet vinden van een baan of het niet vinden van de juiste baan leidt tot een aantal substantiële fricties, namelijk:
• Langere zoekduur. Dit betekent minder mensen structureel aan het werk en grotere kosten voor de samenleving
• Verloop omdat mensen niet op de juiste baan komen. Voor werkgevers en werknemers heeft dit behoorlijke (financiële) gevolgen
Al met al zal dit leiden tot een grotere structurele werkloosheid.
Onderzoek
Het onderzoek richt zich op het ‘echte’ online zoekgedrag van personen. Dit gedrag wordt afgezet tegen het gedrag dat zij idealiter zouden vertonen (gebruik van de juiste kanalen en zoektermen). De mismatch hiertussen wordt inzichtelijk gemaakt met de daarbij behorende consequenties en oplossingen. Gegevens over het online zoekgedrag worden verzameld via ‘trackers’ die alle internetactiviteiten van deelnemers registreren. De deelnemers zijn afkomstig van panels en hebben voor bepaalde tijd vrijwillig een tracker op hun computers geïnstalleerd. Hiermee kan een unieke database met surfgegevens worden opgebouwd.
Het onderzoek heeft als doel om beleidsmakers, overheden, werkgevers en baanzoekers bewust te maken van de enorme complexiteit van de werking van de huidige arbeidsmarkt op internet en hoe zij deze complexiteit kunnen vertalen naar kansen om meer juiste banen te vinden, vaak ook nog dichter bij huis. Resultaat zou kunnen zijn een lagere frictiewerkloosheid en honderden miljoenen (of veel meer) voordeel per jaar aan minder te betalen uitkeringen en ontslagvergoedingen. - Temporary Unemployment and Wages. Evidence from Belgium
Pavlopoulos, D and Debels, A.
Abstract | Print-vriendelijke Abstract
Motivation
Temporary unemployment (tijdelijke WW) is a flexibility arrangement that was applied in the Netherlands to mitigate the employment effects of the economic crisis. As this is a new policy tool for the Netherlands, we know very little about its long-term effects. However, in Belgium temporary unemployment has been in use for long. Therefore, we can use the Belgian experience to draw some predictions on the Dutch labour market.
Aim
This paper investigates the effect of temporary unemployment on the wage growth of workers in the Belgian labour market. We study the effect of present and past experiences of temporary unemployment on wages. Furthermore, we study whether this effect varies according to the age and the tenure of the worker as well as with the sector and the size of the firm. In this way, we study whether temporary unemployment has long-term scarring effects on the career of the workers.
Data
We use longitudinal data for two samples of 5,000 workers from the Datawarehouse of the Crossroadsbank for Social Security. The Datawarehouse offers employment information at the trimester-level and unemployment information at the monthly level. The first sample was selected in the first trimester of 1998 and workers were followed until the last trimester of 2003. The second sample was initially selected in the first trimester of 2002 and workers were followed until the last trimester of 2007.
Method
We apply a panel regression model with 2-way fixed effects. Specifically, we correct for individual and firm unobserved characteristics.
Results
Our results indicate that current experiences of temporary unemployment are associated with lower wages for workers that have been employed by the firm for more than 1.5 years. This effect is stronger for older workers. In contrast, for workers that have been employed for shorter periods, no effect of recent temporary unemployment is found. Past experiences of temporary unemployment are especially harmful for workers 25-30 years old. As in the case of recent experiences of temporary unemployment, this effect increases with tenure. For workers with long tenure in the firm, the length of past temporary unemployment matters as well. Specifically, for these workers, the longer they have been in temporary unemployment the last year the lower their wage is. In contrast, for workers older than 30, past experiences of temporary unemployment are not associated with a lower wage. Therefore, it seems that temporary unemployment has some scarring effect on the career of young workers but is not harmful for the career of prime-age or older workers. - CS3: Arbeidsverhoudingen
- Wat kan Nederland leren van het Belgische outplacementrecht bij ontslag?
Tros, F.H.
Abstract | Print-vriendelijke Abstract
| Download paper
In de afgelopen tien jaar is in België stapsgewijs nieuwe wet- en regelgeving geïntroduceerd over outplacement bij ontslag. Na invoering van een werknemersrecht op begeleiding voor 45-plussers, is outplacement een verplichting geworden voor werkgevers en ook jongere werknemers. Bij herstructurering zijn ontslagvergoedingen deels omgebouwd tot ‘inschakelingsvergoedingen’ voor activerende begeleidingen tijdens de opzegtermijn van ontslag.. Hiermee kan gesteld worden dat België de door Europa gepromote ‘flexicurity pathway’ van ‘veilige en succesvolle baan-baan transities’ volgt. Dit paper evalueert ‘input’, ‘process’ en ‘output’ van dit flexicurity-beleid in Vlaanderen en vergelijkt de situatie met Nederland. Ontslagen werknemers in België blijken inderdaad na deze maatregelen meer toegang te hebben tot begeleidingen bij externe herplaatsing. Maar uit de verkregen data van de VDAB blijkt ook duidelijk dat 50-plussers maar zeer beperkt werk vinden, ondanks hun participatie in de zogenaamde ‘tewerkstellingscellen’ (rond 25%, vergeleken met ruim 50% voor de 50-minners, heeft na 6 maanden nieuw betaald werk). De nieuwe maatregelen kunnen bij lange na niet de onevenredig grote baanonzekerheid onder 50-plussers in Belgische bedrijven compenseren met nieuwe werkzekerheid. Het Nederlandse afspiegelingsbeginsel, zoals bij collectief ontslag in de selectie van te ontslagen werknemers gehanteerd wordt, beschermt ouderen meer in hun baan en is daarmee effectiever voor de werkzekerheid van ouderen. Nederland kan wel leren van de redelijk gebalanceerde en structureel geïntegreerde Belgische regelgeving. De zelfregulering en meer vrijblijvend beleid in Nederland heeft haar nadelen wat betreft de werknemerstoegang tot outplacementbegeleiding en de investeringen in baan-baan transities bij gedwongen ontslag. Ook omdat een aantal aanbevelingen van de Commissie Bakker uit 2008 in de hier onderzochte Belgische wetgeving is geïmplementeerd, zijn de ervaringen en uitkomsten in België van belang voor de komende discussies in Nederland over modernisering van het ontslag- en re-integratierecht. - Loont maatwerk in arbeidsvoorwaarden?
Dorenbosch, L., Zwieten, M. van en Kraan, K.
Abstract | Print-vriendelijke Abstract
| Download paper
Door een toenemende diversiteit in de beroepsbevolking zouden werkgevers die meer maatwerk bieden in arbeidsvoorwaarden, beter kunnen voldoen aan de individuele behoeftes en voorkeuren van werknemers. Het aansturen op een fit tussen gewenste en geboden arbeidsvoorwaarden kan lonen voor organisaties. Veelvuldig onderzoek toont dat een goede individuele person-organisation fit bijdraagt aan bijvoorbeeld werknemerswelzijn, -betrokkenheid en werkprestaties (Kristof-Brown, Zimmerman & Johnson, 2006).
Maatwerk op het gebied van ontwikkeling/opleiding van werknemers, saliëring of werktijden is daarbij afhankelijk van de speelruimte voor maatwerk en van de mate waarin leidinggevenden en werknemers gebruik maken van deze ruimte. Onderzoek van Oeij et al. (2006) toonde echter aan dat het bieden van maatwerk een minder hoge vlucht neemt dan gedacht. Nederlandse werknemers bleken 5 jaar geleden in praktijk nog weinig gebruik te maken van de maatwerkmogelijkheden (“one size fits most”) die ze bijvoorbeeld tot hun beschikking hebben voor opleiding, salaris of werktijden. Daarbij zijn werkgevers en leidinggevenden mogelijk huiverig voor de investering die gedaan moet worden om met iedere werknemer andere afspraken te maken (Nauta et al., 2007).
In het spanningsveld van de veronderstelde voordelen en keerzijden van maatwerk in arbeidsvoorwaarden onderzochten we of het bieden van maatwerk op het terrein van ontwikkeling/opleiding, salaris en werktijden kan lonen. Ook is onderzocht wat de karakteristieken zijn van organisaties die aangeven maatwerkruimte te hebben.
Deze cross-sectionele studie maakt gebruik van recente werkgeversdata verzameld met de WEA 2010 (Werkgevers Enquête Arbeid) van TNO. Deze grootschalige representatieve steekproef bevat de respons van HR-verantwoordelijken (bijv. directeur, HR manager) verbonden aan in totaal 5.518 organisaties (vestigingen). Er is gevraagd naar de beschikbare ruimte voor maatwerk in ontwikkeling/opleiding, salaris en werktijden en de mate waarin lijnmanagers gebruik maken van deze ruimte. Bedrijfsprestaties, het vrijwillig personeelsverloop en het ziekteverzuimpercentage zijn opgenomen als uitkomstmaten.
Gecontroleerd voor organisatiegrootte, demografische personeelskenmerken en sectortype tonen de (eerste) resultaten dat het bieden van maatwerk in werknemersontwikkeling samengaat met andere uitkomsten dan het bieden van maatwerk in werktijden. Maatwerk in ontwikkeling is positief gerelateerd aan bedrijfsprestaties, terwijl het bieden van maatwerk in werktijden vooral samengaat met een lager ziekteverzuim. Maatwerk in salaris heeft geen significante relaties met organisatie-uitkomsten. Verder bleek dat organisaties die een bedrijfsstrategie voeren gericht op innovatie, op alle drie de arbeidsvoorwaarden meer maatwerkruimte hebben. - Climbing the ladder
Noback, I. en Dijk, J. van
Abstract | Print-vriendelijke Abstract
| Download paper
The aim of this study is to gain insight in the gender-specific dynamics of career advancement. The analysis is based on a quantitative dataset of ± 10.000 middle and top managers in a Dutch financial services company. Results indicate that women earn less, work in lower function-levels, but show slightly higher career mobility than men. Working in a flexible full-time (4*9) arrangement turns out favourable for women who are ‘rewarded’ for working full-time, whereas men are ‘penalized’ for not working 5 days a week. Introducing this form of flexibility in a predominantly masculine organizational culture offers new opportunities for career advancement, be it solely for women. - CS3: CBS Workshop: Gebruik microgegevens over arbeid
- Geen inzendingen.
- CS3: CBS Workshop: Statistieken over arbeid op StatLine
- Geen inzendingen.
- CS3: Kwaliteit van de arbeid
- Trends in de kwaliteit van de arbeid in Nederland en Europa
Houtman, I. & Bossche, S. van den
Abstract | Print-vriendelijke Abstract
| Download paper
Als gevolg van globalisering, technologische veranderingen en een verschuiving van de arbeidsmarkt in de richting van de dienstensector verandert het werk van Nederlanders, alsook van andere Europeanen. In de presentatie wordt aan de hand van de Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden (NEA) en de European Working Conditions Survey (EWCS) ingegaan op de vragen (1) welke ontwikkelingen zichtbaar zijn in de arbeidsomstandigheden van Nederlandse werknemers, en (2) waar de kwaliteit van werkend Nederland staat ten opzichte van die in de rest van Europa.
De NEA is een grootschalig en representatief onderzoek onder werknemers in Nederland. In 2003 is deze voor een eerste keer uitgevoerd (n= +10.000), en sinds 2005 is de enquête jaarlijks gehouden (n= + 23.000). De EWCS is sinds 1990/1991 iedere vijf jaar gehouden onder werkenden van alle Europese lidstaten. Tot nu toe zijn de bestanden beschikbaar tot en met 2005 (in de loop van 2011 komen mogelijk de gegevens van 2010 ter beschikking). In de meetjaren zijn er representatieve steekproeven van gemiddeld 1000 werkenden per lidstaat geïnterviewd (in 2000 was dit gemiddeld 1500 per lidstaat). In zowel de NEA als de EWCS staan vraagmodules over de kwaliteit van de arbeid centraal.
Intensivering van werk, mogelijk als gevolg van de globalisering, is wel in Europa waar te nemen maar niet (meer) in Nederland. Van koploper op het gebied van werkdruk tot het jaar 2000 behoort Nederland inmiddels tot de middenmoot. Tevens is er een reeds langer bestaande trend naar meer flexbanen waar te nemen en recent een afname van baanzekerheid. Mogelijk als gevolg van de toename van de dienstensector, blijven in Nederland de meer traditionele arbo-risico’s als lichamelijke en omgevingsbelasting, lange werktijden alsook het werken in ploegendienst gelijk of namen zelfs licht af. Sociale steun van leiding en collega’s is hoog en nam recent nog verder toe. Het werken met de computer en telewerken zijn dankzij technologische vernieuwingen en verschuiving van het werk naar de dienstensector goed aangeslagen onder werkend Nederland. Dit gebeurt in Nederland veel meer dan gemiddeld in Europa. Werken met de computer hangt samen met een goede kwaliteit van de arbeid, al neemt het percentage werknemers dat risico loopt op bewegingsapparaatklachten toe als gevolg van toenemend langdurig (meer dan vier tot zes uur per dag) beeldschermwerk.
De kwaliteit van de arbeid in Nederland is vergeleken met het Europese gemiddelde behoorlijk hoog, met uitzondering van de blootstelling aan werkgerelateerde agressie en geweld. In ‘dienstenland’ Nederland komt relatief veel agressie en geweld voor. Lichamelijk geweld op het werk neemt binnen Europa toe, maar Nederlandse gegevens laten geen recente toename van dit type geweld zien. - Hoe veel werken is gezond?
Collewet, M. en de Koning, J.
Abstract | Print-vriendelijke Abstract
| Download paper
Het doel van dit paper is om meer zicht te krijgen op het effect van arbeidsparticipatie op gezondheid in de Nederlandse context. De positieve wisselwerking tussen gezondheid en arbeidsparticipatie wordt in de beleidsdiscussie vaak benadrukt. In bestaand onderzoek wordt echter vaak onvoldoende rekening gehouden met het tweezijdige verband tussen gezondheid en arbeidsparticipatie. In dit paper controleren we voor achterliggende variabelen die op zowel gezondheid als participatie een invloed kunnen hebben, door paneltechnieken te gebruiken. We gebruiken gegevens uit het Arbeidsaanbodpanel (voorheen OSA-Arbeidsaanbodpanel). We vinden dat het idee dat werken in het algemeen goed is voor de gezondheid genuanceerd moet worden. Uit onze schattingen blijkt dat het effect van arbeidsparticipatie op de gezondheid afhankelijk is van kenmerken van het individu, de vorm van niet-werken, het aantal uren dat men werkt, baankenmerken, en niet-betaalde activiteiten en hun combineerbaarheid met betaald werk. - CS3: Ruimtelijke aspecten van arbeid
- Consumption or Productivity: Human Capital spillovers in Dutch Cities
Venhorst, V.A., Dijk, J. van, Wissen, L.J.G. van
Abstract | Print-vriendelijke Abstract
In this paper we study the skill structure of Dutch cities, both in terms of the jobs situated in these cities, as well as the education structure of the resident population. Using a unique dataset on Dutch cities, we study what the additional effects of characteristics of other relevant cities and the city’s ability to attract high human capital individuals are, relative to the skill endowments a city already has.
We find limited evidence for production related externalities at this spatial level of analysis. There is more evidence of consumption externalities, through the population education structure. The role of spatial spillovers and the inflow of skilled individuals differs considerably between the skill levels. - De rol van de arbeidsmarkt in de emigratiebeslissing van jonge hoger opgeleiden
Welle, I. van der en Klaver, J.
Abstract | Print-vriendelijke Abstract
| Download paper
Aan het begin van de 21ste eeuw nam de emigratie flink toe. In de periode 2003-2007 was zelfs sprake van een vertrekoverschot. Exacte cijfers ontbreken, maar er waren signalen dat onder de groeiende groep emigranten relatief veel hoger opgeleiden zijn, waaronder ook veel hoger opgeleide allochtonen. Vanuit de politiek werd zorgelijk gereageerd, omdat een omvangrijke emigratie van hoger opgeleiden negatieve gevolgen kan hebben voor de Nederlandse kenniseconomie. De media belichtte vooral de sterke emigratiewens bij jonge Turkse Nederlanders. Zij zouden in toenemende mate hun toekomst in Turkije zien. Over de emigratiemotieven van autochtonen is al eerder onderzoek verricht, waaruit blijkt dat de arbeidsmarkt een ondergeschikte rol speelt. De emigratiemotieven van allochtonen zijn onderbelicht en de vraag is of in hun migratiebeslissing de arbeidsmarkt een prominentere rol heef.
Dit onderzoek belicht emigratie van vier groepen: autochtone, Marokkaanse, Turkse en Surinaamse Nederlanders. In het bijzonder wordt de emigratie van jonge hoger opgeleiden besproken (20-45 jaar, MBO+). Naast een overzicht van de omvang van de emigratie en de bestemmingen, geeft het onderzoek aan de hand van ruim 60 interviews met jonge emigranten en interviews met stakeholders inzicht in de rol die de arbeidsmarkt in Nederland en in het bestemmingsland speelt bij de emigratiebeslissing.
Uit de cijfers blijkt dat emigratie van 20-45 jarigen beperkt is en dat er geen massale uittocht is van hoger opgeleiden. Onder de jonge Turkse en Surinaamse Nederlanders is emigratie naar het land van herkomst het meest populair. Onder jonge Marokkaanse Nederlanders komt emigratie naar België vaker voor dan emigratie naar Marokko. De jonge autochtonen vertrekken vooral naar de buurlanden.
De arbeidsmarkt speelt voor iedere groep een andere rol in de emigratiebeslissing, afhankelijk van de kansen die zij zien en de mogelijkheden die zij hebben. Voor hoger opgeleide autochtone Nederlanders is de arbeidsmarkt in het bestemmingsland niet doorslaggevend. Zij vertrekken vaak vanuit een goede positie in Nederland en zijn vol vertrouwen dat zij deze positie ook elders zullen realiseren. Voor hoger opgeleide Turkse Nederlanders is de arbeidsmarkt een belangrijke pullfactor. Zij denken er in Turkije op vooruit te gaan als het gaat om perspectieven op een goede baan.
Voor Marokkaanse Nederlanders werkt de Marokkaanse arbeidsmarkt juist vaak remmend. Zij volgen opleidingen die onvoldoende aansluiten op de vraag in Marokko of beheersen het Frans en het Arabisch niet goed. Daarbij is de Marokkaanse arbeidsmarkt vrij gesloten en is het nodig een goed netwerk te hebben om een baan te kunnen bemachtigen. Voor Surinaamse emigranten zijn de economische motieven niet heel dominant. Wel is voor hen bestaanszekerheid in het bestemmingsland vaak een voorwaarde om te kunnen emigreren. - CS3: Vraag en aanbod van arbeid
- Who should be stimulated to increase hours worked?
Loog, B., Dohmen, T.J. en Vendrik M.C.M.
Abstract | Print-vriendelijke Abstract
| Download paper
Terwijl veel vrouwen in Nederland betaalde arbeid verrichten, werkt ruim driekwart van de werkende vrouwen in deeltijd. Met het oog op de vergrijzing zou de overheid graag zien dat werkende vrouwen meer uren op de arbeidsmarkt gaan aanbieden. Echter, de literatuur laat zien dat er een sterke voorkeur voor deeltijd werk bestaat onder werkende vrouwen in Nederland. Om aanbod-stimulerend beleid toe te spitsen op de juiste werknemers, onderzoeken wij in dit artikel voor welke vrouwelijke werknemers (met welke eigenschappen) een vraagoverschot bestaat. Van deze vrouwen worden meer uren gevraagd dan ze momenteel aanbieden. Aanbod-stimulerende maatregelen zullen dus op deze vrouwen gericht moeten worden. Onze resultaten laten onder meer zien dat het vraagoverschot vooral groot is voor hoger opgeleide vrouwen. Ook bestaan er verschillen tussen sectoren en leeftijdscategorieën. - Geen kans of geen keuze?
Rijk, A. en König, T.
Abstract | Print-vriendelijke Abstract
| Download paper
Geen kans of geen keuze?
De potentie van het arbeidspotentieel zonder inkomsten
CBS-CvB, oktober 2011
Met het oog op de vergrijzing is het belangrijk zoveel mogelijk mensen aan het werk te krijgen. In het verleden heeft de overheid vooral veel moeite gedaan om uitkeringsgerechtigden aan het werk te helpen. In 2007 ontvingen rond de 1,5 miljoen personen een uitkering. Ter vergelijking; in dezelfde periode behoorden ruim één miljoen personen tot het arbeidspotentieel zonder inkomsten. Zij hebben geen werk, geen uitkering en gaan niet naar school. Om de arbeidsparticipatie voldoende te verhogen in de toekomst moet ook deze groep aan het werk. Het is daarom van belang om meer inzicht te krijgen in de beweegredenen van deze personen om niet te werken. Willen zij geen baan of worden ze belemmerd in hun pogingen om een baan te vinden?
Voor het rapport ‘Geen kans of geen keuze’ (CBS-CvB) hebben we een typologie ontwikkeld voor het arbeidspotentieel zonder inkomsten. Er zijn acht typen onderscheiden die verschillende soorten personen binnen deze populatie karakteriseren zodat gericht beleid ontwikkeld kan worden. We beschrijven acht verschillende types, zoals de jonge kanshebber, de onvrijwillig inactieve allochtoon en de oudere huisvrouw. Personen binnen een type hebben vergelijkbare achtergrondkenmerken, een vergelijkbare werkbereidheid en vergelijkbare kansen op de arbeidsmarkt. De typologie geeft hiermee inzicht in mogelijke beleidsmaatregelen die ingezet kunnen worden om verschillende types te benaderen en aan het werk te krijgen.
De typologie is ook nuttig voor lagere overheden. Op concrete wijze krijgen zij nu informatie over de samenstelling van het arbeidspotentieel zonder inkomsten in hun gemeente en zelfs per wijk. Zo zal een traditionele arbeiderswijk een ander beeld laten zien en om ander beleid vragen dan een nieuwbouwwijk met veel jonge gezinnen. Ook zal de samenstelling van de types in de grote steden wellicht afwijken van de rest van Nederland.
In deze paper verdiepen we ons in deze typologie door te onderzoeken hoe de verschillende types uit 2007 zich ontwikkeld hebben. Welke personen hebben in 2009 een baan gevonden of behoren juist nog steeds tot het arbeidspotentieel zonder inkomsten? Welke personen ontvangen inmiddels een uitkering of volgen misschien juist weer een opleiding? Hebben de personen die tot de kansrijke types behoren en die graag wilden werken inderdaad werk gevonden? En wat betekenen deze uitkomsten voor landelijk en regionaal beleid? In de paper gaan we in op deze vragen. - Microsimulatie van de onderwijsarbeidsmarkt
Peter Fontein, Hendri Adriaens, Jan Nelissen, Klaas de Vos
Abstract | Print-vriendelijke Abstract
| Download paper
Ten behoeve van het Ministerie van Onderwijs Cultuur en Wetenschap is een microsimulatiemodel ontwikkeld waarmee de onderwijsarbeidsmarkt wordt gemodelleerd voor de sectoren primair onderwijs, voortgezet onderwijs en de beroeps en volwassenen educatie. Het door CentERdata ontwikkelde model heet voluit: Microsimulatie Rekenmodel Regionale Onderwijs Ramingen (MIRROR). MIRROR is onder meer gebaseerd op gegevens uit salarisadministraties. Daardoor zijn van vrijwel alle personen in de genoemde sectoren gegevens als geslacht, geboortejaar, school waar men werkt, aanstellingsomvang en inkomen en inschaling bekend. Het stroomgedrag van deze personen wordt voor de functies leraren, directeuren en overig personeel afzonderlijk gemodelleerd met een groot aantal vergelijkingen. Onder de gemodelleerde stromen vallen onder meer uitstroom (naar diverse categorieën), verandering van aanstellingsomvang, het krijgen van een extra aanstelling op een andere school, functiewijziging en instroom. Maar ook schaalwijziging en het krijgen van extra periodieken zijn gemodelleerd.
Het aanbod van leraren wordt mede vastgesteld aan de hand van de kans op herintreden van niet werkzame leerkrachten (de stille reserve) en de kans op intreden van nieuw afgestudeerden. De vraagkant wordt volledig bepaald door (externe) prognoses van de leerlingenaantallen. Een confrontatie van vraag en aanbod leidt vervolgens tot een voorspelling van overschotten of tekorten.
Het belang van het model ligt echter niet alleen in het voorspellen van tekorten, overschotten en kosten, maar ook in analyses van de achtergronden. Neemt de gemiddelde betrekkingsomvang toe of af? Verandert er iets in de leeftijdsopbouw, en daardoor mogelijk ook in de uitstroom? Wat gebeurt er onder verschillende conjunctuurscenario’s, en waarom nemen de kosten toe of af? Met name het kostenaspect is actueel vanwege de voorgenomen overheidsbezuinigingen. Een toegevoegde waarde van het model is dan ook het feit dat de invloed van de inschaling op het stroomgedrag is gemodelleerd. Daarmee kan het effect van extra beloning op het voorkomen van tekorten worden ingeschat.